Belasting blog


Geregeld verschijnt er een belastingadvies blog over een actueel fiscaal onderwerp. Dit blog is bedoeld om u te informeren over voor u interessante ontwikkelingen op het gebied van belastingen. Het kan gaan om nieuwe jurisprudentie of hoe een nieuwe regeling in de praktijk uitwerkt.

Als u na het lezen van een blog vragen heeft, schroom niet om die te stellen!

Gepubliceerd op door

Woningcorporatie kan niet afzonderlijk afschrijven op zonnepanelen

Volledig bericht lezen: Woningcorporatie kan niet afzonderlijk afschrijven op zonnepanelen

Recent heeft de rechter een oordeel geveld over de mogelijkheden om af te schrijven op zonnepanelen op daken van verhuurde woningen. De rechter ging in op een tweetal vragen:

  1. Kan op zonnepanelen afzonderlijk worden afgeschreven of maken ze onderdeel uit van de woning?
  2. Is de werktuigenvrijstelling van toepassing, waardoor separaat afschrijven toch mogelijk is?

Een woningcorporatie heeft geïnvesteerd in zonnepanelen, die geplaatst zijn op de  verhuurde woningen. In de procedure voor de rechtbank stelde de belastingplichtige dat de zonnepanelen als zelfstandige bedrijfsmiddelen op de fiscale balans geactiveerd kunnen worden. De inspecteur voert aan dat de zonnepanelen kwalificeren als onderdeel van het gebouw, waarop de afschrijvingsbeperking van toepassing is. De rechtbank komt tot de conclusie dat de zonnepanelen onderdeel zijn van het gebouw waarop ze zijn gelegd. Dat de zonnepanelen niet als een zelfstandig bedrijfsmiddel zijn aan te merken. Ook is de werktuigenvrijstelling niet van toepassing. De inspecteur heeft de aanslag vennootschapsbelasting voor een juist bedrag opgelegd.

Werktuigenvrijstelling

Eerder heeft de Waarderingskamer, die toezicht houdt op de uitvoering van de Wet WOZ, al in een werkinstructie de werktuigenvrijstelling voor zonnepanelen op woningen al uitgesloten. De Waarderingskamer onderbouwde dat met het standpunt dat de zonnepanelen dienstbaar zijn aan de woning en dat ze de woning daarmee geschikter maken voor het gebruik. Het standpunt van de Waarderingskamer is in april 2018 door het Hof-Leeuwarden bevestigd. Het Hof oordeelde dat de zonnepanelen terecht in de WOZ-waarde van de woning zijn begrepen.

Niet apart afschrijven op onderdelen van gebouwen

In de Wet inkomstenbelasting 2001 is in artikel 3.30a opgenomen dat op onderdelen van gebouwen niet meer afzonderlijk kan worden afgeschreven. De rechtbank heeft dus beslist dat de zonnepanelen naar verkeersopvattingen onderdeel uitmaken van de woning, zoals bedoeld in artikel 3.30a Wet IB2001.

Verder is rechtbank van oordeel dat de zonnepaneleninstallaties niet voldoen aan de door de wetgever gegeven definitie van een werktuig. Dit omdat bij zonnepanelen geen sprake is van een in hoofdzaak dienstbaar zijn aan het (productie)proces dat in het gebouw plaatsvindt. De zonnepanelen zijn onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar aan de woningen zelf.

Betekenis voor de praktijk

Dat betekent dat een investering in de zonnepanelen de boekwaarde van de verhuurde woning verhoogt. Op grond van de regels voor het afschrijven op verhuurde onroerende zaken mag tot 100% van de WOZ-waarde afgeschreven worden.

Als u vragen heeft of van geachte wil wisselen over bovenstaande, neem gerust contact met mij op: mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Vereniging drijft geen onderneming met exploitatie recreatieterrein

Volledig bericht lezen: Vereniging drijft geen onderneming met exploitatie recreatieterrein

De rechtbank heeft recent een uitspraak gedaan waarin een antwoord wordt gegeven op de vraag wanneer een vereniging vennootschapsbelasting verschuldigd is. Dat is het geval als er sprake is van het drijven van een onderneming. In de procedure ging het om een vereniging die een recreatieterrein exploiteerde met daarop 220 recreatiebungalows, kantine en bijbehorende voorzieningen. Het economische eigendom van de recreatiebungalows was in het bezit van particulieren. Het lidmaatschap van de vereniging is verbonden aan het bezit van het economische eigendom van een recreatiebungalow. In deze uitspraak ging de rechter in op de vraag: ‘wanneer sprake is van optreden in het economische verkeer van een vereniging?’


De activiteiten van de vereniging bestonden uit het beheer en onderhoud van het recreatieterrein en de daarop aanwezige voorzieningen. Er is sprake van werkzaamheden met betrekking tot (onderhoud van) de grond (o.a. inzake riolering en de asfaltering). Andere werkzaamheden hadden betrekking op door de vereniging opgerichte commissies: de ontspanningscommissie, kantinecommissie, redactiecommissie, brandpreventiecommissie, EHBOcommissie, bemiddelingscommissie, tuin- en opstalcommissie, en de technische commissie.


In de procedure heeft de Belastingdienst het standpunt ingenomen dat het park met de infrastructuur en de exploitatie van de kantine onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Dit is door de vereniging niet weersproken. Om te bepalen of sprake is van het drijven van een onderneming, worden de activiteiten in dit geval gezamenlijk beoordeeld. Overigens hoeft dat niet altijd het geval te zijn, los of gezamenlijk beoordelen is onder andere afhankelijk van de mate van verwevenheid van de activiteiten.


Vervolgens moest beoordeeld worden of er sprake is van het drijven van een onderneming. Daarvoor is onder andere van belang dat sprake is van optreden in het economische verkeer. Als voor een vereniging geldt dat deze enkel activiteiten of diensten binnen de ‘besloten kring’ van de vereniging verricht, is geen sprake van deelname aan het economische verkeer. Omdat het kunnen toetreden tot de vereniging als lid niet nagenoeg is uitgesloten, is er volgens de rechter sprake van optreden in het economische verkeer. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat de activiteiten van de vereniging waarvoor ze vergoeding ontvangt, bestaande uit contributie en het inschrijfgeld, plaatsvinden in het economische verkeer.
Naar mijn mening heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat er in deze situatie sprake is van deelname aan het economische verkeer. Het gaat om een vereniging waarvan het lidmaatschap verbonden is aan het bezit van het economische eigendom van een recreatiebungalow, dat betekent dat het lidmaatschap niet voor iedereen openstaat. Daarnaast zou gezegd kunnen worden dat deze vereniging vergelijkbaar is met een vereniging van eigenaren (vve). Een vve neemt niet deel aan het economische verkeer.


Vervolgens moest de vraag beantwoord worden of er sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. De rechtbank meende dat dit niet het geval is, omdat de werkzaamheden met name gericht zijn op het onderhoud en de instandhouding van het recreatiepark.

Omdat er sprake is van activiteiten die kwalificeren als niet meer dan normaal vermogensbeheer, kan er ook geen sprake zijn van een ‘uiterlijk met het drijven van een onderneming overeenkomende werkzaamheid’ als bedoeld in artikel 4 Wet Vpb 1964. Op grond van de fictiebepaling uit de Wet op de vennootschapsbelasting is er ook sprake van vennootschapsbelastingplicht, als in concurrentie wordt getreden met ondernemers. De beslissing van de rechtbank betekent dat dit ook niet tot vennootschapsbelastingheffing kan leiden.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

 

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Door corona-maatregelen dreigt vpb-heffing bij theaters

Volledig bericht lezen: Door corona-maatregelen dreigt vpb-heffing bij theaters

Als gevolg van de corona-maatregelen hebben veel culturele ondernemers hun jaarprogramma niet kunnen afwerken. In de eerste en tweede helft van het jaar zijn ze met een gedwongen sluiting geconfronteerd. Door de sluiting zijn er minder kosten zijn gemaakt voor de uitvoering van het jaarprogramma. Podia voor muziek, dans, theater en film kunnen daardoor mogelijk een positief resultaat behalen. Dat kan het geval zijn als ze (voor een deel) met subsidies zijn gefinancierd als de subsidies niet gekort worden. Belangrijk is om dit tijdig te onderkennen en na te gaan wat dit betekent voor de vennootschapsbelastingheffing bij culturele stichtingen. Er kan dus vennootschapsbelasting verschuldigd zijn over het jaar 2020. Hoe kan voorkomen worden dat er vennootschapsbelasting verschuldigd is?

Het lijkt contra-intuïtief dat culturele instellingen tijdens deze crisis winst maken. Het ligt mogelijk wel voor de hand nu er minder kosten zijn gemaakt, omdat voorstellingen/optredens niet zijn doorgegaan. Er zijn geen kosten gemaakt voor de inhuur van artiesten, dansers en theatermakers. Daardoor is het mogelijk dat de culturele instelling over het jaar 2020 een positief resultaat behaalt. Als er meer dan € 15.000 winst wordt gemaakt, is er vennootschapsbelasting verschuldigd. Zodra inzichtelijk is dat er over het jaar 2020 vennootschapsbelasting verschuldigd is, zijn er de volgende mogelijkheden:

  1. Nagaan in hoeverre het mogelijk is om in 2020 nog extra kosten te maken, dan wel fiscaal aanvaardbare voorzieningen te vormen.
  2. Afspraken maken met de subsidieverstrekkers om een deel van de over het jaar 2020 ontvangen subsidie terug te betalen.
  3. Beroep doen op vrijwilligersaftrek of de bestedingsreserve.
  4. Voor zover dat niet is gebeurd: verliezen over voorgaande jaren bij beschikking vast laten stellen.

Extra kosten maken

Als er nog extra kosten gemaakt worden, is het van belang om na te gaan dat deze direct ten laste van het fiscale resultaat zijn te brengen. Datzelfde geldt voor eventueel te vormen voorzieningen. Het maken van extra kosten en/of het vormen van voorzieningen is het meest eenvoudige middel om de vennootschapsbelastingheffing te voorkomen of te beperken.

Terugbetalen subsidie

Afspraken maken met subsidieverstrekkers om de lopende subsidie te verminderen zou niet mijn voorkeur hebben, omdat er het risico bestaat dat deze afspraken naar de toekomst toe ook gevolgen kunnen hebben. Mogelijk zal de subsidieverstrekker in de toekomst ook een terugbetalingsverplichting opnemen bij overschotten, dan wel kan toekomstige subsidie verlaagd worden.

Beroep op vrijwilligersaftrek of bestedingsreserve

Ook kan nagegaan worden in hoeverre er gebruik gemaakt kan worden van de vrijwilligersaftrek en/of de bestedingsreserve. De vrijwilligersaftrek levert een extra aftrekpost bij het gebruik van vrijwilligers die niet betaald worden of een beperkte vergoeding ontvangen voor de door hen verrichte werkzaamheden. De bestedingsreserve is bedoeld om (een deel van) de winst te reserveren om zo de winst te beperken en de reserve aan te wenden voor bepaalde toegestane toekomstige investeringen.

Lasten vaststellen verliezen oude jaren

Als er jaren aan vooraf zijn gegaan waarbij de verliezen nooit zijn vastgesteld, is het van belang om na te gaan of er een verzoek gedaan kan worden om deze verliezen alsnog bij beschikking vast te laten stellen. Dit om vennootschapsbelastingheffing over het jaar 2020 te voorkomen. Belangrijk is hierbij om termijnen om verliezen bij beschikking te laten vaststellen niet te laten verlopen.

Omdat culturele instellingen hun jaarprogramma niet hebben kunnen afwerken, is het mogelijk dat zij minder kosten hebben gemaakt dan begroot. Het is mogelijk dat het jaar uiteindelijk met een positief resultaat wordt afgerond als subsidies niet worden gekort. Dan is het belangrijk om tijdig stappen te nemen om de vennootschapsbelastingheffing over het positieve resultaat te voorkomen.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Wanneer is een stichting vennootschapsbelastingplichtig?

Volledig bericht lezen: Wanneer is een stichting vennootschapsbelastingplichtig?

Bestuurders van stichtingen nemen vaak het standpunt in dat de stichting niet vennootschapsbelastingplichtig is, omdat ze van mening zijn dat de stichting niet naar winst streeft. Geregeld blijkt dat standpunt niet juist te zijn. Vragen van de Belastingdienst zijn vaak de aanleiding om te onderzoeken of een stichting vennootschapsbelastingplichtig is. Men komt dan tot de ontdekking dat er in het verleden te weinig aandacht is geweest voor de eventuele belastingplicht van de stichting. En kan enkel meegaan in het door de Belastingdienst ingenomen standpunt. Hierna wordt ingegaan op wanneer een stichting belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (winstbelasting). Vervolgens worden de aandachtspunten behandeld waarop gelet moet worden in relatie tot de vennootschapsbelastingplicht. Tot slot geven wij handvatten om buiten de vennootschapsbelastingheffing te blijven.

Een stichting is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting voor zover er een onderneming wordt gedreven. Er is sprake van het drijven van een onderneming als aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:

  1. Er is sprake van een organisatie van arbeid en kapitaal
  2. Er wordt deelgenomen aan het economische verkeer
  3. Er is sprake van een winst treden.

Aan de eerste twee voorwaarden is meestal voldaan. In discussies met de Belastingdienst gaat het veelal om de vraag of aan de derde voorwaarde is voldaan: het winststreven. In de meeste gevallen is aan de eerste twee voorwaarden voldaan.

Winststreven

Veel bestuurders nemen het standpunt in dat de stichting geen winststreven heeft omdat er niet beoogd wordt om winst te maken. Vaak wordt de winst gereserveerd in een bestedingsreserve. Bijvoorbeeld een bepaald bedrag om de personeelskosten nog gedurende een bepaalde periode door te kunnen betalen. Het toevoegen van resultaten aan een bestedingsreserve kan een indicatie zijn voor de Belastingdienst dat aan het winststreven wordt voldaan. De rechter heeft al eens bepaald dat er naar de feitelijke situatie gekeken moet worden. Uiteindelijk zal als er jaarlijks een positief resultaat behaald wordt er sprake zijn van een winststreven. Daarnaast moet beoordeeld worden of de gevormde reserve een fiscaal toelaatbare reserve is, als dat niet het geval is, is voor fiscale doeleinden sprake van winst maken.

Wel of niet met het gehele vermogen een onderneming drijven

Als er sprake is van het drijven van een onderneming, kan dat met het gehele vermogen van de stichting dan wel met een deel van het vermogen. Voor zover er sprake is van beleggen, maken de beleggingsresultaten meestal geen deel uit van het fiscale resultaat. Dat kan anders zijn op het moment dat er winsten uit de onderneming tijdelijk herbelegd worden. Om te beoordelen of eventueel een deel van de winst buiten de belastingheffing blijft, is de redactie van de statuten van de stichting van belang.

Fictiebepaling vennootschapsbelastingplicht

Ook als niet voldaan is aan het winststreven, kan er toch vennootschapsbelasting verschuldigd zijn als er in een jaar winst wordt gemaakt. In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) is een fictiebepaling opgenomen. Als de activiteiten van de stichting uiterlijk overeenkomen met een door een natuurlijk persoon of een besloten vennootschap gedreven onderneming, is er ook sprake van vennootschapsbelastingplicht. Alleen in de jaren dat er voldoende winst wordt gemaakt, zal deze fictiebepaling belastingheffing tot gevolg hebben.

Beperkte exploitatie-overschotten

Als de winst van de stichting in een jaar niet hoger is dan € 15.000, dan wel in het jaar zelf en de daaraan voorafgaande vier jaar in totaliteit niet meer dan € 75.000 winst wordt gemaakt, is de stichting vrijgesteld op grond van de Wet Vpb. Dus een stichting met een jaarlijks gering exploitatie-overschot hoeft geen vennootschapsbelasting te betalen. De vrijstelling op grond van de wet is een aandachtspunt. Verliezen worden niet bij beschikking vastgesteld, als er niet tijdig voor vennootschapsbelastingplicht is geopteerd. Dat kan betekenen dat er gedurende een aantal jaren verliezen opkomen, deze niet voor verrekening met toekomstige winsten in aanmerking komen. Als er in de toekomst een forse winst wordt behaald, die de eerdere verliezen goedmaakt, kan daarover vennootschapsbelasting verschuldigd zijn. Door de eerdere verliezen vast te laten stellen, kunnen deze met toekomstige winsten verrekend worden. Lees meer hierover in een eerder blog.

Subsidie

Veel stichtingen ontvangen subsidies van de overheid om bepaalde taken uit te voeren. Op basis van de subsidievoorwaarden zal beoordeeld moeten worden of de ontvangen subsidie meetelt om het fiscale resultaat te bepalen. In een besluit uit 2005 heeft de Staatssecretaris van Financiën bekend gemaakt wanneer een subsidie meetelt om het fiscale resultaat te bepalen en wanneer de subsidie niet meetelt.

Als de subsidies deel uitmaken van het fiscaal belastbare resultaat, kunt u overwegen om afspraken te maken met subsidieverstrekkers. Zo kan vennootschapsbelastingplicht worden voorkomen, op het moment dat er in een jaar teveel winst wordt gemaakt. Afgesproken kan worden dat een deel van de subsidies worden terugbetaald. Met de financiers van de stichting kan eenzelfde afspraak worden gemaakt. Dat hun financiële bijdrage wordt verminderd tot een bedrag dat de stichting binnen de hiervoor genoemde grenzen blijft om vennootschapsbelastingplicht te voorkomen.

Vraag tijdig om uitreiking van een aangiftebiljet als er vennootschapsbelasting verschuldigd is

Zodra een stichting vennootschapsbelastingplichtig is, is het de verantwoordelijkheid van de bestuurders om aan de aangifteverplichtingen te voldoen. Dat betekent dat de bestuurder tijdig moet verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet vennootschapsbelasting. Gebeurt dat niet, dan kan de Belastingdienst een boete opleggen. Daarnaast zal er 8% belastingrente verschuldigd zijn als de verschuldigde vennootschapsbelasting niet tijd is betaald. Lees meer hierover in een eerder blog

In 2021 is over de winst tot € 245.000 15% vennootschapsbelasting verschuldigd, over hogere winst is 25% verschuldigd. Volgend jaar is tot een winst van € 395.000 15% winstbelasting verschuldigd en over het meerdere 25,8%.

Wat zijn belangrijke aandachtspunten voor bestuurders?

  1. Inventariseer of de stichting vennootschapsbelastingplichtig is. Laat een notitie opstellen waarin onderbouwd wordt als er geen sprake is van vennootschapsbelastingplicht en bewaar deze in de administratie.
  2. Monitor jaarlijks of activiteiten en/of inkomensstromen wijzigen, waardoor de notitie mogelijk moet worden bijgewerkt.
  3. Maak afspraken met subsidieverstrekkers over terugbetaling van (een deel van) de subsidie op het moment dat de stichting dreigt vennootschapsbelastingplichtig te worden.
  4. Vraag tijdig om uitreiking om een aangiftebiljet als er vennootschapsbelasting verschuldigd is.

Tot slot zijn de omzet- en loonbelasting ook aandachtspunten. De eventuele verschuldigdheid van omzetbelasting over ontvangen subsidies. Het wel of niet moeten inhouden en afdragen van loonheffingen over betalingen aan vrijwilligers en bestuursleden. Geregeld vindt er ten onrechte geen inhouding en afdracht van loonheffingen plaats.

Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met mr. Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Strenge uitleg van het begrip zorgwerkzaamheden uit de zorgvrijstelling vpb

Volledig bericht lezen: Strenge uitleg van het begrip zorgwerkzaamheden uit de zorgvrijstelling vpb
De toepassing van de zorgvrijstelling vennootschapsbelasting (vpb) leidt geregeld tot een discussie met de Belastingdienst. De eisen om de zorgvrijstelling te kunnen toepassen worden streng uitgelegd door de Belastingdienst. Naast de winstbestemmingeis, die voorschrijft dat de opbrengsten uit de zorgverlening alleen aangewend mogen worden voor de zorg of een algemeen maatschappelijk belang, mogen er uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zorgwerkzaamheden worden verricht. Dat betekent dat de werkzaamheden voor minimaal 90% uit zorgwerkzaamheden moeten bestaan.
 
Om aan de werkzaamhedeneis te kunnen voldoen is vereist dat het lichaam nagenoeg uitsluitend werkzaamheden verricht welke bestaan uit ‘het genezen, verplegen of verzorgen van zieken, kraamvrouwen, mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, wezen of ouderen die niet zelfstandig kunnen wonen’. In de praktijk is de vraag opgekomen wat in dit verband moet worden verstaan onder het begrip ‘genezen, verplegen en verzorgen’.
 
Welke zorg kwalificeert voor de zorgvrijstelling vpb?
Het moet gaan om een vorm van zorg waarvan de vergoeding voortvloeit uit het basispakket Zvw of de Wlz dan wel zorg die wordt verleend op basis van de Wpg, of een algemene maatwerkvoorziening als bedoeld in de WMO 2015 (zogenaamde collectief gefinancierde zorg). Belangrijk is dat niet alle vormen van zorg die onder de collectief gefinancierde zorg vallen ook kwalificeren als zorg onder de zorgvrijstelling als bedoeld in de Wet Vpb. Zo valt medicijnverstrekking door apotheken er niet onder.
 
Preventie
Werkzaamheden die zijn gericht op de preventie van ziekten vallen niet onder het begrip ‘genezen, verplegen en verzorgen’ in de zin van de zorgvrijstelling. Op dit uitgangspunt bestaan de volgende twee uitzonderingen:
- geïndiceerde en zorggerelateerde preventiewerkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de behandeling van medische klachten of aandoeningen en die zijn opgenomen in het basispakket van de Zvw; en
- zorggerelateerde en geïndiceerde preventie die plaatsvindt op grond van de Wlz; kwalificeren eveneens voor de werkzaamhedeneis.
 
Kwalificerende zorgwerkzaamheden
In het beleidsbesluit wordt een lijst met kwalificerende zorgwerkzaamheden genoemd. Voor thuiszorgorganisaties zal beoordeeld moeten worden in hoeverre de werkzaamheden kwalificeren. Werkzaamheden die gericht zijn op de preventie van ziekten kwalificeren niet.  Het gaat bijvoorbeeld om een cursus stoppen met roken of activiteiten op het gebied van jeugdzorg. Een zorginstelling zal na moeten gaan welk deel van de werkzaamheden niet kwalificeren en of dit de toepassing van de zorgvrijstelling niet in gevaar brengt.
 
Jeugdzorg
In het beleidsbesluit wordt geen aandacht besteed aan de jeugdzorg. Door de gewijzigde financiering van de Jeugdzorg, kan er sprake zijn van vennootschapsbelastingplicht. Dit omdat de door de gemeente met de jeugdzorginstellingen gesloten financieringsovereenkomsten mogelijk niet voldoen aan de voorwaarden genoemd in het subsidiebesluit voor de vennootschapsbelasting. Momenteel vindt er al langere tijd overleg plaats om te bepalen welke werkzaamheden kwalificeren voor de vrijstelling. Dit kan betekenen dat een zorginstelling afscheid zal moeten nemen van bepaalde werkzaamheden, wil men de zorgvrijstelling vennootschapsbelasting niet verliezen.
 
Nagenoeg uitsluitend 
Er is geen voorgeschreven regel om aannemelijk te maken dat aan het nagenoeg uitsluitend criterium (minimaal 90%) wordt voldaan bij de zorgverlening (bijvoorbeeld omzet, winst, fte of zorguren). Als er meer dan 10% niet kwalificerende werkzaamheden worden verricht, betekent dat het lichaam vennootschapsbelastingplichtig is. Het is aan de dagelijkse praktijk overgelaten om van geval tot geval een toetsingsmaatstaf te kiezen. Zowel van de belastingplichtige als van de Belastingdienst mag een invulling naar redelijkheid worden verwacht.
 
Handen aan het bed-eis
Zoals hiervoor al is geschreven moet het lichaam voor ten minste 90% kwalificerende zorgwerkzaamheden als bedoeld in de zorgvrijstelling verrichten. Het lichaam moet hierbij verplicht zijn om de zorgwerkzaamheden rechtstreeks ten opzichte van de zorgvragers te verrichten. Het lichaam moet de werkzaamheden zelf verrichten, daarvoor is overigens niet verplicht dat al het personeel in loondienst is van de zorgverlener. Inhuur van personeel is hierbij mogelijk. Met zorg samenhangende werkzaamheden van administratieve en organisatorische aard onder het bereik van de vrijstelling te brengen in de situatie waarin de kwalificerende zorgwerkzaamheden niet door het lichaam zelf worden verricht. Een topstichting met daarin slechts bestuurlijke activiteiten voldoet daarom niet aan de werkzaamhedeneis.
 
Tot slot
Met het nieuwe beleidsbesluit worden er een aantal voor de dagelijkse praktijk belangrijke verduidelijkingen gedaan voor de toepassing van de zorgvrijstelling. Helaas wordt de toepassing van de zorgvrijstelling ook beperkt door preventieve zorgwerkzaamheden uit te sluiten. Dit zal tot een lastenverzwaring leiden voor de zorginstellingen, die zullen moeten monitoren wat de omvang van de verschillende zorg- en niet-kwalificerende zorgwerkzaamheden. Met het risico de zorgvrijstelling vpb te verliezen.
 
Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383
Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Nadere uitleg over toepassing zorgvrijstelling vennootschapsbelasting

Volledig bericht lezen: Nadere uitleg over toepassing zorgvrijstelling vennootschapsbelasting

Op 21 december 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën een beleidsbesluit gepresenteerd met daarin een uitleg over de toepassing van de zorgvrijstelling vennootschapsbelasting.

Voorwaarden toepassen zorgvrijstelling vpb

Om de zorgvrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten eerste Wet Vpb 1969 te mogen toepassen, is het van belang dat er uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zorgwerkzaamheden worden verricht. Het komt er op neer dat voor ten minste 90% kwalificerende zorgwerkzaamheden als bedoeld in de zorgvrijstelling worden verricht (‘werkzaamhedeneis’).

Als het zorgverlenende lichaam geen publiekrechtelijk lichaam is, geldt er een tweede voorwaarde om de zorgvrijstelling te kunnen toepassen. De behaalde winst mag alleen worden aangewend ten behoeve van een op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c Wet Vpb vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang (winstbestemmingseis). De winst moet voor zorgactiviteiten worden aangewend of ten behoeve van het maatschappelijke belang.

Bij een stichting moet er sprake zijn van vennootschapsbelastingplicht, wil er aan de toepassing van de zorgvrijstelling toegekomen worden. De stichting moet een onderneming drijven.

Zorgvrijstelling vpb bij zorg-bv

Als een stichting zorgverlenende activiteiten heeft, zal de toepassing van de zorgvrijstelling tot minder discussie leiden, dan wanneer er sprake is van een zorg-bv. In het laatste geval is het de vraag in hoeverre voldaan kan worden aan de winstbestemmingseis. Uit het besluit blijkt dat een zorg-bv de zorgvrijstelling mag toepassen, als zij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zo moet uit de statuten blijken dat de zorg-bv werkzaamheden verricht als bedoeld in de zorgvrijstelling. Er moet een meervoudig bestuur zijn en een onafhankelijk toezichthoudend orgaan. Aan de aandeelhouder worden ook eisen gesteld, natuurlijke personen kwalificeren niet. Wel lichamen van publiekrechtelijke aard, een ANBI of een stichting die aan bepaalde voorwaarden voldoet. De winstbestemmingseis moet in de statuten zijn vastgelegd en een statutenwijziging mag alleen mogelijk zijn na toestemming van het onafhankelijke toezichthoudende orgaan.

Als een lichaam niet voldoet aan de voorwaarden om de zorgvrijstelling toe te passen, maar eerder wel een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met de Belastingdienst over de toepassing van de zorgvrijstelling, wordt er tot 31 december 2020 de tijd gegeven om te voldoen aan de voorwaarden.

Uitspraak rechter over toepassing zorgvrijstelling vpb bij zorg-bv

In een recente uitspraak is de rechter ingegaan op de toepassing van de zorgvrijstelling bij een zorg-bv. Die zorg-bv had een natuurlijk persoon als uiteindelijke aandeelhouder. De zorg-bv voldeed mogelijk aan de hiervoor genoemde voorwaarden door de in statuten op te nemen dat de bv geen winstreserves zal uitkeren, zolang dat op grond van de wet- en regelgeving voor een instelling van medisch specialistische zorg niet is toegestaan. Na het beëindigen van de activiteiten zou de zorg-bv haar statuten kunnen wijzigen en de winstreserves aan de aandeelhouder kunnen uitkeren. Daarom vond de rechtbank dat er niet voldaan was aan de voorwaarden om de zorgvrijstelling toe te passen. Hieruit blijkt dat een goede redactie van de statuten van het zorglichaam van belang is. In het geval van een zorg-bv zal nagegaan moeten worden of wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, eerste lid aanhef en letter c Wet Vpb 1969 jo artikel 4 UB Vpb .

In het beleidsbesluit staat ook dat de winstbestemmingseis zowel voor de jaarwinst als voor het liquidatiesaldo van het lichaam geldt. Dit is in lijn met de hiervoor genoemde uitspraak. Overigens is er beroep aangetekend, het is dus afwachten of een rechter in hogere instantie tot dezelfde conclusie komt.

Het beleidsbesluit is een welkome aanvulling voor de praktijk. Op dit moment is het lastig om de toepassing van de zorgvrijstelling vpb af te stemmen met de Belastingdienst. Met de in dit beleidsbesluit opgenomen toelichting, verwacht ik dat het de afstemming met de Belastingdienst zal vereenvoudigen.

Wilt u meer weten over de toepassing van de zorgvrijstelling vpb, wij helpen u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Rechter geeft uitleg aan toepassing vpb-vrijstelling voor vereniging en stichting

Volledig bericht lezen: Rechter geeft uitleg aan toepassing vpb-vrijstelling voor vereniging en stichting

Met een beroep op de subjectieve belastingvrijstelling hoeven stichtingen en verenigingen, die een onderneming drijven en vennootschapsbelastingplichtig zijn, geen vennootschapsbelasting te betalen. In artikel 6 Wet Vpb 1969 zijn winstgrenzen genoemd. De eerste winstgrens: niet meer dan € 15.000 winst in een jaar en de tweede winstgrens: niet meer dan € 75.000 winst in het betreffende jaar en de vier daaraan voorafgaande jaren gezamenlijk. Het wel of niet overschrijden van de winstgrenzen kan een grote financiële impact hebben op kleine stichtingen en verenigingen. Als de hiervoor genoemde grenzen van de winst niet worden overschreden, is de vereniging of stichting op grond van de wet vrijgesteld van vennootschapsbelastingheffing. Bij verenigingen en stichtingen die minder dan vijf jaar bestaan, was het onduidelijk hoe de regel van niet meer dan € 75.000 winst in een periode van vijf jaar toe te passen.

Op 19 september 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën een besluit gepubliceerd, waarin de werking van artikel 6 Wet Vpb 1969 nader is toegelicht. De Staatssecretaris heeft toegelicht hoe de tweede winstgrens volgens hem moet worden toegepast, als de vereniging of stichting nog geen vijf jaar bestaat. De belastingrechter heeft in een uitspraak meer duidelijkheid geschept over de toepassing van de subjectieve belastingvrijstelling van artikel 6 Wet Vpb 1969. De rechter geeft een andere uitleg aan de toepassing van de regeling dan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris schrijft pro rata toepassing tweede winstgrens voor

In het beleidsbesluit schrijft de Staatssecretaris voor dat de tweede winstgrens pro rata moet worden toegepast. Dat betekent dat in de eerste drie jaar, de totale winst niet meer mag bedragen van € 45.000 (3/5 van € 75.000). Wordt die drempel in een jaar overschreden, dan kan er voor dat jaar geen beroep gedaan worden op de vrijstelling van de tweede winstgrens.

In de procedure voor de rechtbank stonden de hoogte van de winsten van de vereniging in de jaren 2010 tot en met 2012 niet ter discussie. De voor het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag met een belastbare winst van € 35.121 stond ter discussie. Voor de jaren 2010 en 2011 bedroegen de belastbare winsten € 9.884 en € 28.433. In drie jaar tijd heeft de vereniging in totaal € 69.731 aan winst gemaakt. De beroepsvereniging voor Nederlandse Stylisten is opgericht in 2009.

Geen pro rata toepassing tweede winstgrens volgens de rechter

Omdat de vereniging pas drie jaar bestaat heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat het winstplafond van € 75.000 herrekend moet worden naar het aantal jaren dat de vereniging bestaat. Conform het standpunt in het beleidsbesluit. Volgens de rechtbank geven zowel de tekst van de wet als de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten om de tweede winstgrens van artikel 6, eerste lid, Wet Vpb naar rato toe te passen. De rechter ziet het toepassen van de winstgrens van € 75.000 als een absolute grens, ook als de vereniging nog geen vijf jaar bestaat. Het past ook in de doel en strekking van de wet om deze uitleg te geven aan dit wetsartikel. Het is namelijk niet de bedoeling om verenigingen en stichtingen van bijkomstige betekenis in de belastingheffing te betrekken. Daarnaast wordt ook het risico van concurrentieverstoring gezien op het moment dat het toepassen van de pro rata winstgrens in het derde jaar wordt overschreden, maar er in het vierde jaar weer onder wordt gebleven.

Deze uitspraak is een welkome aanvulling voor de praktijk. Hoe om te gaan met de tweede winstgrens bij de toepassing van de vrijstelling vennootschapsbelasting, als sprake is van een nieuw opgerichte vereniging of stichting die nog geen vijf jaar bestaat? De uitspraak van de rechter roept de volgende vraag op: wat gebeurt er als de totale winst in jaar vier of vijf boven de € 75.000 uitkomt, moet er dan over de eerdere jaren vennootschapsbelasting betaald worden?

Volledig bericht lezen