Belasting blog
Huidige inhoud weergeven als RSS-feed

Belasting blog

Geregeld verschijnt er een belastingadvies blog over een actueel fiscaal onderwerp. Dit blog is bedoeld om u te informeren over voor u interessante ontwikkelingen op het gebied van belastingen. Het kan gaan om nieuwe jurisprudentie of hoe een nieuwe regeling in de praktijk uitwerkt.

Als u na het lezen van een blog vragen heeft, schroom niet om die te stellen!


1 - 10 van 37 resultaten
Gepubliceerd op door

Stijgende box 3 tarieven, hoe aantrekkelijk is beleggen in een spaar-bv?

Volledig bericht lezen: Stijgende box 3 tarieven, hoe aantrekkelijk is beleggen in een spaar-bv?

Hierna volgt een update van mijn blog uit 2019 waarin ik ben ingegaan op het voordeel van het overbrengen van box 3 vermogen naar box 2. De nieuwe box 3 tarieven zijn bekend gemaakt. Tot een vermogen van € 50.000 is vermogen vrijgesteld van belastingheffing (voor fiscale partners is dit verdubbeld naar € 100.000). Over de hele linie stijgt het tarief van de verschuldigde vermogensrendementsheffing in box 3. Tot het jaar 2021 bedraagt de box 3-heffing 30% over het forfaitaire rendement, vanaf 2021 wordt dit verhoogd naar 31%. Er is in 2021 dus meer vermogensbelasting verschuldigd over het box 3 vermogen. Met de lage rente op spaargeld wordt het alleen maar aantrekkelijkker om vermogen naar box 2 over te brengen. Hierna gaan wij in op de vraag tot welk rendement is beleggen in de spaar-bv interessant? Als alternatief voor de spaar-bv behandelen we ook het open fonds voor gemene rekening.

Box 3 vermogen overbrengen naar box 2

Wie vermogen overbrengt van box 3 naar box 2 wil minder box 3 belasting betalen. Door vermogen voor de waardepeildatum 1 januari naar box 2 over te brengen, wordt het niet meegeteld voor de grondslag voor de box 3 vermogensbelasting. Het overbrengen van vermogen van box 3 naar box 2 gebeurt door het in te brengen in een besloten vennootschap (spaargeld-bv) ten titel van kapitaalstorting. Bij de spaargeld-bv zal er tot een winst van € 245.000 15,0% vennootschaps- of winstbelasting verschuldigd zijn, over het meerdere is 25% vennootschapsbelasting verschuldigd in 2021. Als het netto resultaat als dividend wordt uitgekeerd is er nog eens 26,9% inkomstenbelasting verschuldigd, het box 2 tarief. Het uitkeren van dividend is niet verplicht. Hierdoor kan de belastingclaim op de beleggingsresultaten na aftrek van de betaalde vennootschapsbelasting nog heel lang kan worden uitgesteld.

Waar ligt het omslagpunt bij een duurzame overgang naar box 2?

In het overzicht hierna zijn in kolom B de box 3- tarieven opgenomen voor het jaar 2020. In kolom C is ter vergelijking die van het jaar 2020 opgenomen. Kolom D laat zien tot welk rendement beleggen in box 2 interessant is. Bij de berekening is rekening gehouden met het vpb tarief van 16,5% (tarief 2020) over winsten in de spaargeld-bv tot € 200.000. En vervolgens met het box 2-tarief van 26,5%. Door de vbi-status (vrijgestelde beleggingsinstelling) aan te vragen is er op het niveau van de rechtspersoon geen vennootschapsbelasting verschuldigd. Hierdoor blijft het bij hogere rendementen aantrekkelijk is om in box 2 te beleggen. Zie daarvoor kolom E.

De keuze voor het wel of niet aanvragen van de vbi status, is dus afhankelijk van het verwachte rendement. Eigenlijk is het aanvragen van de vbi-status alleen aantrekkelijk als het rendement minimaal 5,69% bedraagt, maar niet hoger is dan 6,56%. In dat geval moet het om vermogen gaan dat in box 3 in de hoogste schijf belast is.

Rekenvoorbeeld belasting besparen in box 2

Alleenstaande bezit spaargeld € 300.000

Rentevergoeding op spaartegoed is 0

Besparing in 2021 door € 200.000 in een besloten vennootschap in te brengen: € 2.800. Voor het jaar 2020 bedroeg de besparing nog € 2.540.

Uit de berekening blijkt dat het oprichten van een besloten vennootschap al snel aantrekkelijk is.

Boxhoppen

Boxhoppen is het tijdelijk overbrengen van box 3 vermogen naar box 1 of box 2. In de belastingwet zijn maatregelen opgenomen om boxhoppen tegen te gaan. Dat vermogen moet minimaal 6 maanden uit box 3 wegblijven, wil men voorkomen dat er alsnog ook in box 3 inkomstenbelasting over verschuldigd is. Dat betekent dat het pas na 6 maanden en 1 dag na de jaarwisseling weer naar box 3 gehaald kan worden. Het vermogen moet dan wel minimaal 6 maanden en 1 dag voorafgaand aan de jaarwisseling naar box 2 moet zijn overgegaan.

Wordt het een BV of een open fonds voor gemene rekening?

Tot slot speelt nog de vraag hoe nu dat vermogen naar box 2 over te brengen? Dat kan door oprichting van een besloten vennootschap en het vermogen als kapitaal te storten. Wil men later kapitaal terugbetalen, dan is een gang langs de notaris vereist. Een open fonds voor gemene rekening kan bij overeenkomst worden opgericht. Hierdoor is een gang langs de notaris niet nodig. Ook voor het terugbetalen van kapitaal is een bezoek aan de notaris niet nodig.

Een open fonds voor gemene rekening is veel flexibeler. Het open fonds voor gemene rekening hoeft ook geen jaarrekening bij de Kamer van Koophandel te deponeren, waardoor wat wordt ingebracht onzichtbaar voor de buitenwereld (anoniem) blijft. Uw buren zullen dus niet weten hoeveel vermogen u hebt. Aan het oprichten van een open fonds voor gemene rekeningen stelt de Belastingdienst meer voorwaarden, dan aan het oprichten van een besloten vennootschap. Dat pleit weer voor het gebruik van de spaargeld-bv. Uiteindelijk hangt het van de persoonlijke situatie en wensen af wat de beste keuze is tussen het open fonds voor gemene rekening en de spaargeld-bv om box 3 belasting te besparen.

Beleggen in een VBI

Daarna kan bepaald worden of de aanvraag van de vbi-status (vrijgestelde beleggingsinstelling) aantrekkelijk is. Door het aanvragen van de vbi-status hoeft er geen winstbelasting (vennootschapsbelasting) betaald te worden over de resultaten uit de beleggingen. Als de vbi-status wordt  aangevraagd zijn er twee aandachtspunten:

  1. Voor zover er geen of te weinig dividend wordt uitgekeerd in een jaar, is er 26,9% inkomstenbelasting verschuldigd over een forfaitair rendement van 5,69%. Per saldo 1,53%. Het forfaitaire inkomen wordt verlaagd met het in het jaar uitgekeerde dividend. Voor zover er een forfaitair rendement in aanmerking is genomen, verhoogt dit het fiscaal opgeofferde bedrag van de participaties in de vbi.
  2. Het vermogen dat box 3 verlaten heeft, moet minimaal 18 maanden in de vbi blijven

Dat betekent dat u dan, als het vermogen tegen het eind van het jaar wordt ingebracht, twee peildata mist. Als het rendement in de vbi lager ligt dan 5,69% op jaarbasis, loopt u als belegger het risico dat er door het forfaitaire rendement in box 2 uiteindelijk meer inkomstenbelasting betaald is gedurende het bestaan van de vbi, dan er verschuldigd is over het werkelijk behaalde rendement. Dit voorkomt u door periodiek de vbi te ontbinden. Dan wordt er een eindafrekening gemaakt, voor zover het fiscale opgeofferde bedrag van de participaties groter is dan de intrinsieke waarde, resulteert dat in een verlies. Dit verlies kan terug gewenteld worden naar het daaraan voorafgaande jaar en daarmee verrekend worden.

Door in 2020 nog een deel van uw vermogen over te brengen naar box 2, kunt u een fors bedrag aan vermogensbelasting besparen in 2021. U kunt voor uzelf nagaan of het oprichten van een vbi extra belastingvoordeel oplevert.

Voor een uitgebreidere toelichting verwijzen wij graag naar de notitie: beleggen in box 2 of box 3

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

A-G geeft uitleg over vpb-vrijstelling voor vereniging en stichting

Volledig bericht lezen: A-G geeft uitleg over vpb-vrijstelling voor vereniging en stichting
Als een vereniging of stichting niet meer winst maakt dan de in artikel 6 Wet Vpb 1969 genoemde grenzen is er geen vennootschapsbelasting verschuldigd, omdat er dan een vrijstelling geldt. Deze vrijstelling kent twee winstgrenzen:
  1. 1. eerste winstgrens: niet meer dan € 15.000 winst in een jaar,
  2. 2. tweede winstgrens: niet meer dan € 75.000 winst in het betreffende jaar en de vier daaraan voorafgaande jaren gezamenlijk.
Beide grenzen werken niet cumulatief.
 
Voor verenigingen en stichtingen die minder dan vijf jaar bestaan, was het onduidelijk hoe de regel van niet meer dan € 75.000 winst in een periode van vijf jaar toe te passen. Inmiddels hebben zowel de rechtbank als het hof een verschillende uitleg gegeven aan de subjectieve vrijstelling in het geval een vereniging of stichting korter dan vijf jaar bestaat. Nu is de Hoge Raad aan zet om het geschil over de toepassing van de subjectieve vrijstelling definitief te beslechten. In dat kader heeft de advocaat-generaal zijn visie gegeven over de toepassing van de subjectieve vrijstelling.
 
Alvorens die visie te bespreken, gaan we eerst kort in op de uitleg van de Staatssecretaris van Financiën en die van de rechtbank en het hof.
 
De Staatssecretaris van Financiën heeft in een Beleidsbesluit aangegeven hoe belastingplichtigen om moeten gaan met de toepassing van de tweede winstgrens van € 75.000 in het geval een vereniging of stichting nog geen vijf jaar bestaat. De Staatssecretaris staat een vorm van een pro-rata regeling voor, dat betekent dat de tweede winstgrens in jaren 1,2,3,4 en 5 respectievelijk € 15.000, € 30.000, € 45.000, € 60.000 en € 75.000 bedraagt. Zo mag in jaar drie de winst samen met de twee daaraan voorafgaande jaren niet hoger zijn dan € 45.000.
 
De rechter van de rechtbank Gelderland heeft op 23 oktober 2018 beslist hoe omgegaan moet worden met de winstgrens van € 75.000 voor verenigingen en stichtingen, die nog geen 5 jaar bestaan. De rechter ziet het niet binnen de doel en strekking van de wet om een pro-rata toe te passen op de winstgrens van € 75.000 gedurende de eerste jaren dat de vereniging of stichting bestaat. De inspecteur heeft hoger beroep aangetekend tegen deze uitspraak.
 
Het Hof Arnhem – Leeuwarden heeft beslist dat de vereniging in het jaar 2012 meer dan €15.000 winst heeft gemaakt, de eerste winstgrens van artikel 6 Wet Vpb is daarmee overschreden. Omdat de vereniging, die in 2009 is opgericht, nog geen vijf jaar bestaat wordt ook niet aan het vereiste de daaraan voorafgaande vier jaren voldaan. Daarmee wordt niet voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 Wet Vpb genoemde voorwaarden. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 6 Wet Vpb kan het hof niet opmaken dat de tweede winstgrens van € 75.000 ook van toepassing is als een vereniging of stichting korter dan 5 jaar bestaat. Voor verenigingen en stichtingen die korter dan vijf jaar bestaan kan niet worden vastgesteld of zij gemiddeld € 15.000 winst per jaar maken.
 
Ook de toepassing van de pro-rata regeling opgenomen in het Besluit van 19 september 2018, kan de vereniging niet helpen, nu zij in haar derde jaar meer dan € 45.000 heeft gemaakt. Op grond van de tegemoetkoming in het beleidsbesluit geldt de vennootschapsbelastingvrijstelling als er niet meer dan € 45.000 winst is gemaakt in de eerste drie jaren gezamenlijk.
 
Tegen de uitspraak is cassatie aangetekend en inmiddels heeft de advocaat-generaal een conclusie gepubliceerd. Op basis van een uitleg van de doel- en strekking van de wet komt de A-G tot de conclusie dat het tweede winstplafond bedoeld is om incidentele overschrijdingen van de eerste winstgrens te absorberen. Gedurende vijf jaren moet de winstontwikkeling worden gevolgd. Bij een recent opgerichte vereniging of stichting in de eerste vijf jaren van het bestaan, zal zolang het tweede winstplafond van € 75.000 niet wordt overschreden er geen sprake zijn van vennootschapsbelastingplicht. Wordt in één van die jaren het tweede winstplafond overschreden, dan kan dat betekenen dat er bij eerdere jaren ook vennootschapsbelasting verschuldigd kan zijn, voor zover in die jaren de eerste winstgrens wordt overschreden. Voor die jaren wordt de vennootschapsbelasting nageheven, eventueel via navordering omdat er sprake zal zijn van een nieuw feit. Als de stichting of vereniging binnen vijf jaar na oprichting wordt ontbonden/opgeheven, is de termijn van vijf jaar niet volgemaakt. In dat geval zal er over alle jaren waarin de winstgrens van € 15.000 is overschreden, vennootschapsbelasting verschuldigd zijn.
 
Als de Hoge Raad de conclusie van de Hoge Raad volgt is er duidelijkheid over de toepassing van de tweede winstgrens voor verenigingen en stichtingen die korter dan 5 jaar bestaan. Voor de praktijk is dat prettig. Dat betekent echter wel dat er gedurende een langere periode onzekerheid kan blijven bestaan of de fiscale positie van jaren waarvan de aangifte al is ingediend en wellicht zelfs een definitieve aanslag zal zijn opgelegd.
 
mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383
Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Door corona-maatregelen dreigt vpb-heffing bij theaters

Volledig bericht lezen: Door corona-maatregelen dreigt vpb-heffing bij theaters

Als gevolg van de corona-maatregelen hebben veel culturele ondernemers hun jaarprogramma niet kunnen afwerken. In de eerste en tweede helft van het jaar zijn ze met een gedwongen sluiting geconfronteerd. Door de sluiting zijn er minder kosten zijn gemaakt voor de uitvoering van het jaarprogramma. Podia voor muziek, dans, theater en film kunnen daardoor mogelijk een positief resultaat behalen. Dat kan het geval zijn als ze (voor een deel) met subsidies zijn gefinancierd als de subsidies niet gekort worden. Belangrijk is om dit tijdig te onderkennen en na te gaan wat dit betekent voor de vennootschapsbelastingheffing bij culturele stichtingen. Er kan dus vennootschapsbelasting verschuldigd zijn over het jaar 2020. Hoe kan voorkomen worden dat er vennootschapsbelasting verschuldigd is?

Het lijkt contra-intuïtief dat culturele instellingen tijdens deze crisis winst maken. Het ligt mogelijk wel voor de hand nu er minder kosten zijn gemaakt, omdat voorstellingen/optredens niet zijn doorgegaan. Er zijn geen kosten gemaakt voor de inhuur van artiesten, dansers en theatermakers. Daardoor is het mogelijk dat de culturele instelling over het jaar 2020 een positief resultaat behaalt. Als er meer dan € 15.000 winst wordt gemaakt, is er vennootschapsbelasting verschuldigd. Zodra inzichtelijk is dat er over het jaar 2020 vennootschapsbelasting verschuldigd is, zijn er de volgende mogelijkheden:

  1. Nagaan in hoeverre het mogelijk is om in 2020 nog extra kosten te maken, dan wel fiscaal aanvaardbare voorzieningen te vormen.
  2. Afspraken maken met de subsidieverstrekkers om een deel van de over het jaar 2020 ontvangen subsidie terug te betalen.
  3. Beroep doen op vrijwilligersaftrek of de bestedingsreserve.
  4. Voor zover dat niet is gebeurd: verliezen over voorgaande jaren bij beschikking vast laten stellen.

Extra kosten maken

Als er nog extra kosten gemaakt worden, is het van belang om na te gaan dat deze direct ten laste van het fiscale resultaat zijn te brengen. Datzelfde geldt voor eventueel te vormen voorzieningen. Het maken van extra kosten en/of het vormen van voorzieningen is het meest eenvoudige middel om de vennootschapsbelastingheffing te voorkomen of te beperken.

Terugbetalen subsidie

Afspraken maken met subsidieverstrekkers om de lopende subsidie te verminderen zou niet mijn voorkeur hebben, omdat er het risico bestaat dat deze afspraken naar de toekomst toe ook gevolgen kunnen hebben. Mogelijk zal de subsidieverstrekker in de toekomst ook een terugbetalingsverplichting opnemen bij overschotten, dan wel kan toekomstige subsidie verlaagd worden.

Beroep op vrijwilligersaftrek of bestedingsreserve

Ook kan nagegaan worden in hoeverre er gebruik gemaakt kan worden van de vrijwilligersaftrek en/of de bestedingsreserve. De vrijwilligersaftrek levert een extra aftrekpost bij het gebruik van vrijwilligers die niet betaald worden of een beperkte vergoeding ontvangen voor de door hen verrichte werkzaamheden. De bestedingsreserve is bedoeld om (een deel van) de winst te reserveren om zo de winst te beperken en de reserve aan te wenden voor bepaalde toegestane toekomstige investeringen.

Lasten vaststellen verliezen oude jaren

Als er jaren aan vooraf zijn gegaan waarbij de verliezen nooit zijn vastgesteld, is het van belang om na te gaan of er een verzoek gedaan kan worden om deze verliezen alsnog bij beschikking vast te laten stellen. Dit om vennootschapsbelastingheffing over het jaar 2020 te voorkomen. Belangrijk is hierbij om termijnen om verliezen bij beschikking te laten vaststellen niet te laten verlopen.

Omdat culturele instellingen hun jaarprogramma niet hebben kunnen afwerken, is het mogelijk dat zij minder kosten hebben gemaakt dan begroot. Het is mogelijk dat het jaar uiteindelijk met een positief resultaat wordt afgerond als subsidies niet worden gekort. Dan is het belangrijk om tijdig stappen te nemen om de vennootschapsbelastingheffing over het positieve resultaat te voorkomen.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Stichting vpb-plichtig voor beheer en uitgifte van keurmerk

Volledig bericht lezen: Stichting vpb-plichtig voor beheer en uitgifte van keurmerk

In verschillende branches zijn stichtingen actief die tegen betaling van een vergoeding een bepaald keurmerk toekennen. Als er overschotten worden behaald, speelt de vraag of er sprake kan zijn van vennootschapsbelastingplicht. Recent heeft de rechtbank Gelderland een interessante uitspraak gedaan die voor veel stichtingen duidelijk maakt dat rekening gehouden moet worden met vennootschapsbelastingplicht. In de uitspraak ging het om een stichting die beheerder en eigenaar is van de naam CO2-Prestatieladder. Haar activiteiten bestaan uit het bevorderen van klimaatvriendelijk aanbesteden en ondernemen in zoveel mogelijk relevante sectoren van bedrijfsleven, organisaties en overheid.

Stichting voor uitgifte certificaten CO2-prestatieladder vennootschapsbelastingplichtig

De activiteiten van de stichting bestaan uit het bevorderen van het klimaatvriendelijk aanbesteden in zoveel mogelijk relevante sectoren van het bedrijfsleven. Zij doet dat onder andere via de zogenaamde CO2-prestatieladder. Organisaties kunnen zich laten certificeren. Organisaties die gecertificeerd zijn krijgen een fictieve korting op de inschrijvingsprijs bij bepaalde aanbestedingen. Bij een hogere plaatsing op de ladder, kan de korting hoger uitvallen. Omdat het om een fictieve korting op de inschrijvingsprijs gaat, zal een overheidsorgaan een opdracht feitelijk tegen een hogere prijs gunnen. Naarmate men hoger op de CO2-prestatieladder staat, wordt de fictieve korting hoger. Organisaties hebben er belang bij om zo hoog mogelijk op de CO2-prestatieladder te eindigen. Concurrenten die niet of lager op de CO2-prestatieladder zullen een lagere inschrijvingsprijs moeten gebruiken, waardoor zij zich sneller uit de markt prijzen.

Certificering vindt plaats nadat een onafhankelijk bureau een audit heeft uitgevoerd.

 De stichting haalt jaarlijks een positief resultaat met de activiteiten. In geschil was of er sprake is van vennootschapsbelastingplicht. Omdat de stichting ernaar streeft om een zo groot mogelijk bereik te creëren door een zo groot mogelijke groep ondernemers te certificeren, is er geen sprake van activiteiten die plaatsvinden in een besloten kring. De stichting neemt deel aan het economische verkeer oordeelt de rechtbank.

Bij jaarlijkse overschotten wordt aan het winststreven voldaan

Omdat er jaarlijks overschotten worden behaald, wordt voldaan aan het winststreven zo oordeelt de rechtbank. Dat er geen voornemen is om overschotten te behalen, doet daar niet aan af. Ook het verlagen van de bijdragen om minder hoge overschotten te krijgen in de toekomst, doet daar niet aan af.

Uiteindelijk oordeelt de rechter dat er over de jaren 2012 tot en met 2015 vennootschapsbelasting verschuldigd is. De uitspraak bevestigt voor de praktijk dat er snel sprake kan zijn van vennootschapsbelastingplicht. Dat is al het geval als een stichting positieve resultaten behaalt en een zo groot mogelijke groep van geïnteresseerden probeert te bereiken. Er zijn veel stichtingen die een keurmerk beheren en uitgeven aan ondernemers die aan bepaalde criteria voldoen. Veelal is de gedachte van de stichting dat het beheren van een certificaat of keurmerk geen vennootschapsbelastingplichtige activiteit is. Deze uitspraak laat zien dat het toch wel het geval is. Daarom is het voor bestuurders van certificaten uitgevende stichtingen van belang om de financiering zo te regelen dat er uiteindelijk weinig winst gemaakt wordt. Om te voorkomen dat men onbedoeld tegen vennootschapsbelastingheffing aanloopt.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Dalende box 3 tarieven, hoe aantrekkelijk is beleggen in een spaar-bv?

Volledig bericht lezen: Dalende box 3 tarieven, hoe aantrekkelijk is beleggen in een spaar-bv?

De nieuwe box 3 tarieven zijn bekend gemaakt. Tot een vermogen van € 30.846 is vermogen vrijgesteld van belastingheffing (voor fiscale partners is dit verdubbeld naar € 61.692). Over de hele linie daalt het tarief van de verschuldigde vermogensrendementsheffing in box 3. Er is in 2020 dus minder vermogensbelasting verschuldigd over het box 3 vermogen. Toch blijft het met de lage rente op spaargeld aantrekkelijk om vermogen naar box 2 over te brengen. Hierna gaan wij in op de vraag tot welk rendement is beleggen in de spaar-bv interessant? Als alternatief voor de spaar-bv behandelen we ook het open fonds voor gemene rekening.

Hoe wordt box 3 vermogen overgebracht naar box 2?

Minder box 3 belasting betalen is het doel als vermogen van box 3 naar box 2 wordt overgebracht. Door vermogen voor de waardepeildatum 1 januari naar box 2 over te brengen, wordt het niet meegeteld voor de grondslag voor de box 3 vermogensbelasting. Het overbrengen van vermogen van box 3 naar box 2 gebeurt door het in te brengen in een besloten vennootschap (spaargeld-bv) ten titel van kapitaalstorting. Bij de spaargeld-bv zal er tot een winst van € 200.000 16,5% vennootschaps- of winstbelasting verschuldigd zijn, over het meerdere is 25% vennootschapsbelasting verschuldigd in 2020. Als het netto resultaat als dividend wordt uitgekeerd is er nog eens 26,5% inkomstenbelasting verschuldigd, het box 2 tarief. Het uitkeren van dividend is niet verplicht, waardoor de belastingclaim op de beleggingsresultaten na aftrek van de betaalde vennootschapsbelasting nog heel lang kan worden uitgesteld.

Waar ligt het omslagpunt bij een duurzame overgang naar box 2?

In het overzicht hierna zijn in kolom B de box 3- tarieven opgenomen voor het jaar 2020, in kolom C ter vergelijking die van het jaar 2019 opgenomen. Kolom D laat zien tot welk rendement beleggen in box 2 interessant is. Bij de berekening is rekening gehouden met het vpb tarief van 16,5% (tarief 2020) over winsten in de spaargeld-bv tot € 200.000. En vervolgens met het box 2 tarief van 26,5%. Door de vbi-status (vrijgestelde beleggingsinstelling) aan te vragen is er op het niveau van de rechtspersoon geen vennootschapsbelasting verschuldigd, waardoor bij hogere rendementen het aantrekkelijk is om in box 2 te beleggen, zie daarvoor kolom E.

box_3_-_tarieven_2020

Uit voorgaande overzicht blijkt dat het aanvragen van de vbi-status  er voor zorgt dat tot een hoger rendement inbrengen in box 2 interessant kan zijn. De keuze voor het wel of niet aanvragen van de vbi status, is dus afhankelijk van het verwachte rendement. Eigenlijk is het aanvragen van de vbi-status alleen aantrekkelijk als het rendement minimaal 5,33% bedraagt, als het box 3 vermogen duurzaam in de vbi wordt gebracht. In dat geval moet het om vermogen gaan dat in box 3 in de hoogste schijf belast is.

Boxhoppen

Boxhoppen is het tijdelijk overbrengen van box 3 vermogen naar box 1 of box 2. In de belastingwet zijn maatregelen opgenomen om boxhoppen tegen te gaan. Dat vermogen moet minimaal 6 maanden uit box 3 wegblijven, wil men voorkomen dat er alsnog ook in box 3 inkomstenbelasting over verschuldigd is. Dat betekent dat het pas na 6 maanden en 1 dag na de jaarwisseling weer naar box 3 gehaald kan worden. Dan wel dat het vermogen minimaal 6 maanden en 1 dag voorafgaand aan de jaarwisseling naar box 2 moet zijn overgegaan.

Wordt het een BV of een open fonds voor gemene rekening?

Tot slot speelt nog de vraag hoe nu dat vermogen naar box 2 over te brengen? Dat kan door oprichting van een besloten vennootschap en het vermogen als kapitaal te storten. Wil men later kapitaal terugbetalen, dan is een gang langs de notaris vereist. Een open fonds voor gemene rekening kan bij overeenkomst worden opgericht, waardoor een gang langs de notaris niet nodig is. Ook voor het terugbetalen van kapitaal is een bezoek aan de notaris niet nodig. Een open fonds voor gemene rekening is veel flexibeler. Het open fonds voor gemene rekening hoeft ook geen jaarrekening bij de Kamer van Koophandel te deponeren, waardoor wat wordt ingebracht onzichtbaar voor de buitenwereld (anoniem) blijft. Uw buren zullen dus niet weten hoeveel vermogen u hebt. Aan het oprichten van een open fonds voor gemene rekeningen stelt de Belastingdienst meer voorwaarden, dan aan het oprichten van een besloten vennootschap. Dat pleit weer voor het gebruik van de spaargeld-bv. Uiteindelijk zal het van de persoonlijke situatie en wensen afhangen wat de beste keuze is tussen het open fonds voor gemene rekening en de spaargeld-bv om box 3 belasting te besparen.

Beleggen in een VBI

Daarna kan bepaald worden of de aanvraag van de vbi-status (vrijgestelde beleggingsinstelling) aantrekkelijk is. Door het aanvragen van de vbi-status hoeft er geen winstbelasting (vennootschapsbelasting) betaald te worden over de resultaten uit de beleggingen. Als de vbi-status wordt  aangevraagd zijn er twee aandachtspunten:

  1. Voor zover er geen of te weinig dividend wordt uitgekeerd in een jaar, is er 26,5% inkomstenbelasting verschuldigd over een forfaitair rendement van 5,33%. Per saldo 1,41%. Het forfaitaire inkomen wordt verlaagd met het in het jaar uitgekeerde dividend. Voor zover er een forfaitair rendement in aanmerking is genomen, verhoogt dit het fiscaal opgeofferde bedrag van de participaties in de vbi.
  2. Het vermogen dat box 3 verlaten heeft, moet minimaal 18 maanden in de vbi blijven

Dat betekent dat u dan twee peildata mist, als het vermogen tegen het eind van het jaar wordt ingebracht. Als het rendement in de vbi lager ligt dan 5,33% op jaarbasis, loopt u als belegger het risico dat er door het forfaitaire rendement in box 2 uiteindelijk meer inkomstenbelasting betaald is gedurende het bestaan van de vbi, dan er verschuldigd is over het werkelijk behaalde rendement. Dit voorkomt u door periodiek de vbi te ontbinden. Dan wordt er een eindafrekening gemaakt, voor zover het fiscale opgeofferde bedrag van de participaties groter is dan de intrinsieke waarde, resulteert dat in een verlies. Dit verlies kan terug gewenteld worden naar het daaraan voorafgaande jaar en daarmee verrekend worden.

Door in 2019 nog een deel van uw vermogen over te brengen naar box 2, kunt u een fors bedrag aan vermogensbelasting besparen in 2020. U kunt voor uzelf nagaan of het oprichten van een vbi extra belastingvoordeel oplevert.

Als u meer wilt weten over dit onderwerp, dan is het memorandum minder belasting betalen over uw box 3 vermogen in 2020 interressant voor u. U kunt het hier bestellen.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Vanaf 2019 is een vereniging of stichting sneller vpb verschuldigd

Volledig bericht lezen: Vanaf 2019 is een vereniging of stichting sneller vpb verschuldigd

Door aanpassingen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) worden verenigingen en stichtingen mogelijk sneller vennootschapsbelastingplichtig vanaf het jaar 2019. Veel verenigingen en stichtingen leiden jaarlijks verlies of hebben een winst lager € 15.000. In dat geval zijn ze op grond van de Wet Vpb vrijgesteld van vennootschapsbelastinghefffing. Dat hoeft in zo een situatie dus niet te betekenen dat ze niet vennootschapsbelastingplichtig zijn, ze zijn gezien de resultaten vrijgesteld van belastingheffing. Het uitgangspunt is dat het fiscale resultaat leidend is om te bepalen of er sprake is van een belastbaar resultaat. Vanaf 1 januari 2019 zijn er een tweetal maatregelen van kracht, die ervoor kunnen zorgen dat de resultaten van verenigingen en stichtingen positief worden. Daardoor kan het resultaat zo hoog uitvallen, dat de hiervoor genoemde vrijstellingsgrens van € 15.000 wordt overschreden. Het gaat om de volgende twee maatregelen:

  1. De afschrijvingsbeperking voor vastgoed in eigen gebruik tot 100% van de WOZ-waarde
  2. Beperking van de renteaftrek, voor zover er meer dan € 1 miljoen aan rente wordt betaald

Als er sprake is van het drijven van een onderneming, waarbij ook winst wordt gemaakt, is er vennootschapsbelasting verschuldigd. Veel verengings- of stichtingsbestuurders zullen niet beseffen dat deze maatregelen een grote financiële impact kunnen hebben voor hun vereniging of stichting.

Afschrijvingsbeperking voor vastgoed in eigen gebruik

Vanaf het jaar 2019 is er in de Wet Vpb een verdergaande afschrijvingsbeperking opgenomen voor de afschrijving op onroerend goed dat in eigen gebruik is. Tot 1 januari 2019 mocht er tot 50% van de WOZ-waarde worden afgeschreven. Vanaf 1 januari 2019 mag nog tot 100% van de WOZ-waarde worden afgeschreven. Door deze afschrijvingsbeperking zullen verenigingen en stichtingen, die over eigen bedrijfshuisvesting beschikken, fiscaal een hoger resultaat behalen dan volgens de commerciële jaarrekening. Er wordt sneller winst gemaakt.

Beperking renteaftrek als de rentelasten hoger zijn dan € 1 miljoen per jaar

Een andere maatregel waar verenigingen en stichtingen vanaf 1 januari 2019 mee te maken kunnen krijgen is een generieke beperking van de renteaftrek voor zover de rentelasten hoger zijn dan € 1 miljoen. Op grond van een nieuwe maatregel wordt de betaalde rente in aftrek beperkt voor zover de rentelasten hoger zijn dan 30% van de zogenaamde fiscale EBITDA. Voor bestaande leningen is er geen eerbiedigende werking. Tot € 1 miljoen is de betaalde rente in ieder geval aftrekbaar. Als er meer rente is betaald, zal nagegaan moeten worden of een deel niet voor aftrek in aanmerking komt. Verengingen en stichtingen die op jaarbasis meer dan € 1 miljoen aan rente betalen kunnen tegen een aftrekbeperking aanlopen, waardoor het fiscale resultaat hoger uitkomt dan het resultaat volgens de jaarrekening. Dat kan ertoe leiden dat er vennootschapsbelasting verschuldigd is. Overigens is het wel mogelijk om rentebaten en rentelasten te salderen, alvorens de toets toe te passen om de niet-aftrekbare rente te bepalen.

De maatregel van de renteaftrekbeperking zal met name grotere verenigingen en stichtingen raken, gezien de franchise van € 1 miljoen. Deze maatregel zal de in veel gevallen geen invloed hebben op het te bepalen fiscale resultaat. Dat geld niet voor de afschrijvingsbeperking op het vastgoed in eigen gebruik. Die zal zeker van invloed zijn, er vanuit gaande dat de WOZ-waarde de waarde in het economische verkeer van de bedrijfshuisvesting redelijk benadert.

Een andere aandachtspunt voor verenigingen en stichtingen is de beperking van de voorwaartse verrekening van verliezen tot 6 jaar voor verliezen opgekomen van het jaar 2019. Dat betekent dat opgekomen verliezen sneller ingelopen moeten worden, wil men voorkomen dat verliezen uiteindelijk verdampen en niet meer verrekend worden.

Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met mr. Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Wanneer is een stichting vennootschapsbelastingplichtig?

Volledig bericht lezen: Wanneer is een stichting vennootschapsbelastingplichtig?

Bestuurders van stichtingen nemen vaak het standpunt in dat de stichting niet vennootschapsbelastingplichtig is, omdat ze van mening zijn dat de stichting niet naar winst streeft. Geregeld blijkt dat standpunt niet juist te zijn. Vragen van de Belastingdienst zijn vaak de aanleiding om te onderzoeken of een stichting vennootschapsbelastingplichtig is. Men komt dan tot de ontdekking dat er in het verleden te weinig aandacht is geweest voor de eventuele belastingplicht van de stichting. En kan enkel meegaan in het door de Belastingdienst ingenomen standpunt. Hierna wordt ingegaan op wanneer een stichting belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (winstbelasting). Vervolgens worden de aandachtspunten behandeld waarop gelet moet worden in relatie tot de vennootschapsbelastingplicht. Tot slot geven wij handvatten om buiten de vennootschapsbelastingheffing te blijven.

Een stichting is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting voor zover er een onderneming wordt gedreven. Er is sprake van het drijven van een onderneming als aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:

  1. Er is sprake van een organisatie van arbeid en kapitaal
  2. Er wordt deelgenomen aan het economische verkeer
  3. Er is sprake van een winst treden.

Aan de eerste twee voorwaarden is meestal voldaan. In discussies met de Belastingdienst gaat het veelal om de vraag of aan de derde voorwaarde is voldaan: het winststreven. In de meeste gevallen is aan de eerste twee voorwaarden voldaan.

Winststreven

Veel bestuurders nemen het standpunt in dat de stichting geen winststreven heeft omdat er niet beoogd wordt om winst te maken. Vaak wordt de winst gereserveerd in een bestedingsreserve. Bijvoorbeeld een bepaald bedrag om de personeelskosten nog gedurende een bepaalde periode door te kunnen betalen. Het toevoegen van resultaten aan een bestedingsreserve kan een indicatie zijn voor de Belastingdienst dat aan het winststreven wordt voldaan. De rechter heeft al eens bepaald dat er naar de feitelijke situatie gekeken moet worden. Uiteindelijk zal als er jaarlijks een positief resultaat behaald wordt er sprake zijn van een winststreven. Daarnaast moet beoordeeld worden of de gevormde reserve een fiscaal toelaatbare reserve is, als dat niet het geval is, is voor fiscale doeleinden sprake van winst maken.

Wel of niet met het gehele vermogen een onderneming drijven

Als er sprake is van het drijven van een onderneming, kan dat met het gehele vermogen van de stichting dan wel met een deel van het vermogen. Voor zover er sprake is van beleggen, maken de beleggingsresultaten meestal geen deel uit van het fiscale resultaat. Dat kan anders zijn op het moment dat er winsten uit de onderneming tijdelijk herbelegd worden. Om te beoordelen of eventueel een deel van de winst buiten de belastingheffing blijft, is de redactie van de statuten van de stichting van belang.

Fictiebepaling vennootschapsbelastingplicht

Ook als niet voldaan is aan het winststreven, kan er toch vennootschapsbelasting verschuldigd zijn als er in een jaar winst wordt gemaakt. In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) is een fictiebepaling opgenomen. Als de activiteiten van de stichting uiterlijk overeenkomen met een door een natuurlijk persoon of een besloten vennootschap gedreven onderneming, is er ook sprake van vennootschapsbelastingplicht. Alleen in de jaren dat er voldoende winst wordt gemaakt, zal deze fictiebepaling belastingheffing tot gevolg hebben.

Beperkte exploitatie-overschotten

Als de winst van de stichting in een jaar niet hoger is dan € 15.000, dan wel in het jaar zelf en de daaraan voorafgaande vier jaar in totaliteit niet meer dan € 75.000 winst wordt gemaakt, is de stichting vrijgesteld op grond van de Wet Vpb. Dus een stichting met een jaarlijks gering exploitatie-overschot hoeft geen vennootschapsbelasting te betalen. De vrijstelling op grond van de wet is een aandachtspunt. Verliezen worden niet bij beschikking vastgesteld, als er niet tijdig voor vennootschapsbelastingplicht is geopteerd. Dat kan betekenen dat er gedurende een aantal jaren verliezen opkomen, deze niet voor verrekening met toekomstige winsten in aanmerking komen. Als er in de toekomst een forse winst wordt behaald, die de eerdere verliezen goedmaakt, kan daarover vennootschapsbelasting verschuldigd zijn. Door de eerdere verliezen vast te laten stellen, kunnen deze met toekomstige winsten verrekend worden. Lees meer hierover in een eerder blog.

Subsidie

Veel stichtingen ontvangen subsidies van de overheid om bepaalde taken uit te voeren. Op basis van de subsidievoorwaarden zal beoordeeld moeten worden of de ontvangen subsidie meetelt om het fiscale resultaat te bepalen. In een besluit uit 2005 heeft de Staatssecretaris van Financiën bekend gemaakt wanneer een subsidie meetelt om het fiscale resultaat te bepalen en wanneer de subsidie niet meetelt.

Als de subsidies deel uitmaken van het fiscaal belastbare resultaat, kunt u overwegen om afspraken te maken met subsidieverstrekkers. Zo kan vennootschapsbelastingplicht worden voorkomen, op het moment dat er in een jaar teveel winst wordt gemaakt. Afgesproken kan worden dat een deel van de subsidies worden terugbetaald. Met de financiers van de stichting kan eenzelfde afspraak worden gemaakt. Dat hun financiële bijdrage wordt verminderd tot een bedrag dat de stichting binnen de hiervoor genoemde grenzen blijft om vennootschapsbelastingplicht te voorkomen.

Vraag tijdig om uitreiking van een aangiftebiljet als er vennootschapsbelasting verschuldigd is

Zodra een stichting vennootschapsbelastingplichtig is, is het de verantwoordelijkheid van de bestuurders om aan de aangifteverplichtingen te voldoen. Dat betekent dat de bestuurder tijdig moet verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet vennootschapsbelasting. Gebeurt dat niet, dan kan de Belastingdienst een boete opleggen. Daarnaast zal er 8% belastingrente verschuldigd zijn als de verschuldigde vennootschapsbelasting niet tijd is betaald. Lees meer hierover in een eerder blog

In 2019 is over de winst tot € 200.000 19% vennootschapsbelasting verschuldigd, over hogere winst is 25% verschuldigd. De komende jaren dalen de vennootschapsbelastingtarieven.

Wat zijn belangrijke aandachtspunten voor bestuurders?

  1. Inventariseer of de stichting vennootschapsbelastingplichtig is. Laat een notitie opstellen waarin onderbouwd wordt als er geen sprake is van vennootschapsbelastingplicht en bewaar deze in de administratie.
  2. Monitor jaarlijks of activiteiten en/of inkomensstromen wijzigen, waardoor de notitie mogelijk moet worden bijgewerkt.
  3. Maak afspraken met subsidieverstrekkers over terugbetaling van (een deel van) de subsidie op het moment dat de stichting dreigt vennootschapsbelastingplichtig te worden.
  4. Vraag tijdig om uitreiking om een aangiftebiljet als er vennootschapsbelasting verschuldigd is.

Tot slot zijn de omzet- en loonbelasting ook aandachtspunten. De eventuele verschuldigdheid van omzetbelasting over ontvangen subsidies. Het wel of niet moeten inhouden en afdragen van loonheffingen over betalingen aan vrijwilligers en bestuursleden. Geregeld vindt er ten onrechte geen inhouding en afdracht van loonheffingen plaats.

Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met mr. Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Nieuwe afschrijvingsbeperking onroerend goed en optimalisatie van fiscale kostenaftrek

Volledig bericht lezen: Nieuwe afschrijvingsbeperking onroerend goed en optimalisatie van fiscale kostenaftrek

De mogelijkheid om af te schrijven op vastgoed in eigen gebruik is vanaf 1 januari 2019 beperkt tot 100% van de WOZ-waarde voor besloten vennootschappen en andere vennootschapsbelastingplichtige lichamen. Het maakt daarbij dus niet meer uit of het om een onroerende zaak in eigen gebruik gaat of aan derden verhuurd is. De afschrijvingsbeperking is daarmee gelijk getrokken met die aan derden verhuurd onroerend goed. Voor aan derden verhuurd onroerend goed gold al dat slechts afgeschreven kan worden tot 100% van de WOZ-waarde, ook wel de bodemwaarde genoemd.

Voor de afschrijvingsbeperking voor onroerend goed in eigen gebruik geldt nog wel een overgangsmaatregel. Als het voor 1 januari 2019 in gebruik is genomen en er minder dan drie jaar op is afgeschreven, mag er nog 3 jaar volgens de oude regels worden afgeschreven. Dat betekent dat er in de jaren 2019, 2020 en 2021 nog mag worden afgeschreven tot 50% van de WOZ-waarde.

Kostenaftrek voor vormen onderhoudsvoorziening blijft mogelijk

Zowel voor verhuurde panden als voor panden in eigen gebruik blijft het mogelijk om een voorziening te vormen voor periodiek grootonderhoud. Door jaarlijks te doteren aan een onderhoudsvoorziening voor de vervanging van platte daken, kozijnen, schilderwerk, sanitaire voorzieningen enz., is het mogelijk om de kosten voor deze bestanddelen van het gebouw ten laste van het fiscale resultaat te brengen. Zo wordt voorkomen dat de kosten verplicht geactiveerd moeten worden en onderdeel gaan uitmaken van de kostprijs van het pand. Het risico dat geactiveerd moet worden bestaat vooral op het moment dat de onderhoudskosten omvangrijk zijn in verhouding tot de boekwaarde van het pand.

Maak afspraken met de huurder dat die bepaalde investeringen voor zijn rekening neemt

Voor aan derden verhuurd onroerend kan er ook voor gekozen kunnen worden om de huurder bepaalde investeringen te laten doen in het pand. De huurder kan die investeringen activeren en daarop afschrijven. Dit noemt men ook wel huurdersinvesteringen. Op het moment dat de verhuurder de investeringen doet, kan er niet separaat op worden afgeschreven, maar maken ze onderdeel uit van de kostprijs van het pand. Als de investeringen geactiveerd zijn als onderdeel van de boekwaarde van het pand, kan of moet een nieuwe afschrijvingsgrondslag bepaald worden. De praktijk zal meestal zijn dat er geen ruimte meer is om af te schrijven omdat de bodemwaarde (100% van de WOZ-waarde) al is bereikt. Daarom kan het aantrekkelijk zijn om de huurder zelf te laten investeren, die kan deze lasten wel in mindering brengen op zijn fiscale resultaat. De huurder is niet gebonden aan de afschrijvingsbeperking voor onroerende zaken. De verhuurder zal dan wellicht wel een lagere huur ontvangen, maar heeft als voordeel dat de investeringen in het pand indirect ten laste van het resultaat gebracht kunnen worden. Naast deze afspraken kan de verhuurder een onderhoudsvoorziening vormen.

Conclusie

De mogelijkheid om op onroerende zaken af te schrijven voor vennootschapsbelastingplichtige lichamen is per 1 januari 2019 verder beperkt. Ongeacht het gebruik mag maar tot 100% van de WOZ-waarde worden afgeschreven. Door te doteren aan een onderhoudsvoorziening is het toch mogelijk om de kosten voor de exploitatie van het pand ten laste van het fiscale resultaat te brengen. Voor verhuurd onroerend goed kan eraan gedacht worden om de huurder te vragen om bepaalde investeringen te doen. Die huurder kan deze investeringen vervolgens afschrijven en dus ten laste van de fiscale winst brengen.

Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met mr. Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Risico's voor bestuurder stichting of vereniging als vpb-plicht niet is onderkend?

Volledig bericht lezen: Risico's voor bestuurder stichting of vereniging als vpb-plicht niet is onderkend?

Als een vereniging of stichting een onderneming drijft, is zij vennootschapsbelastingplichtig en moet dan jaarlijks aangifte vennootschapsbelasting doen. Als er winst wordt gemaakt, is er vennootschapsbelasting verschuldigd. Welke risico's loopt een bestuurder van een vereniging of stichting op het moment dat de vennootschapsbelastingplicht niet (tijdig) wordt onderkend?

De Belastingdienst heeft maximaal vijf jaar de tijd om (navorderings)aanslagen vennootschapsbelasting op te leggen als er ten onrechte een onjuiste of geen aangifte vennootschapsbelasting wordt gedaan. Dat betekent dat de Belastingdienst ruim de tijd heeft om een eventueel vennootschapsbelastingplichtige stichting of vereniging op het spoor te komen, op het moment dat er niet tijdig is verzocht om uitreiking van een aangiftebiljet vennootschapsbelasting.

Binnen 6 maanden en twee weken verzoeken om uitreiking van aangiftebiljet

Als er sprake is van het drijven van een onderneming, moet de vereniging of stichting binnen zes maanden en veertien dagen na afloop van het winstjaar zelf verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet vennootschapsbelasting op basis van art. 6 AWR en art. 2 Uitv.reg. AWR. Als dat niet tijdig gebeurt, kan de Belastingdienst een verzuimboete opleggen.

Ook kan de Belastingdienst verzuim en/of vergrijpboetes opleggen voor het (opzettelijk) geen aangifte doen. Eventueel kan de Belastingdienst ook kiezen om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan. De bestuursleden lopen een risico om strafrechtelijk vervolgd te worden als niet (tijdig) aan de fiscale verplichtingen is voldaan.

Als het resultaat van de stichting of vereniging beneden de € 15.000 uitkomt, hoeft er geen aangifte vennootschapsbelasting gedaan te worden. Dat betekent dat er ook niet verzocht hoeft te worden om uitreiking van een aangiftebiljet vennootschapsbelasting.

Geen aangifte betekent geen verliesbeschikking

De stichting of vereniging loopt ook risico’s dat bij de verliesjaren het verlies uiteindelijk niet bij beschikking wordt vastgesteld, als niet verzocht is om het uitreiken van aangiftebiljetten vennootschapsbelasting. Wil men de verliezen bij beschikking laten vaststellen, dan moet er aangifte vennootschapsbelasting worden gedaan en moet geopteerd worden voor vennootschapsbelastingplicht. Dat laatste moet gebeuren uiterlijk voor het opleggen van de definitieve aanslag vennootschapsbelasting. Als de Belastingdienst op een later moment navorderingsaanslagen oplegt, worden verliezen niet bij beschikking vastgesteld. Dit met als gevolg dat die verliezen niet voor verrekening in aanmerking komen. Dat betekent dat er teveel vennootschapsbelasting wordt betaald.

De Belastingdienst zal 8% belastingrente berekenen over de verschuldigde vennootschapsbelasting. Ook een reden om tijdig aangifte vennootschapsbelasting te doen.

Doe aan risicobeperking zorg voor een fiscale opinie in de administratie

Als een bestuurder van mening is dat er geen sprake is van vennootschapsbelastingplicht, verdient het de voorkeur om een notitie te hebben in de administratie, waarin is uiteengezet waarom er geen sprake is van vennootschapsbelastingplicht. Bij een latere belastingcontrole kunnen de bestuurders van de vereniging of stichting daarmee laten zien dat ze niet opzettelijk hebben afgezien van het laten uitreiken van een aangiftebiljet. Daarmee wordt het risico op boetes bij het opleggen van aanslagen fors beperkt. Waar de vereniging of stichting nog wel een risico blijft lopen is de forse belastingrenteclaim met een rentepercentage van 8%. Willen de bestuursleden hier geen risico lopen, dan is vooroverleg met de Belastingdienst de enige mogelijkheid. Vraag de Belastingdienst te bevestigen dat er inderdaad geen sprake is van vennootschapsbelastingplicht.

Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met mr. Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Acht kritiekpunten op het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen bv

Volledig bericht lezen: Acht kritiekpunten op het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen bv

Op 4 maart 2019 is de internetconsultatie gestart voor het wetsontwerp excessief lenen bij de eigen bv. Per 1 januari 2022 treedt de nieuwe wet in werking. Deze wet zal leningen aan dga’s (directeur grootaandeelhouders) van de eigen bv in de belastingheffing betrekken. Hierna zal ik nader toelichten waarom het wetsvoorstel in mijn ogen slecht doordacht is en onevenwichtig uitpakt voor dga’s. 

Hoe ziet het wetsvoorstel er precies uit?
Voor zover de dga en zijn partner meer hebben geleend van de eigen bv dan € 500.000, wordt het exces in box 2 belast als fictief regulier voordeel. Als de bv van de dga geld heeft uitgeleend aan (groot)ouders of (klein)kinderen, tellen die leningen mee. Leningen gebruikt om de eigen woning te financieren zijn uitgezonderd, deze tellen niet mee. Over het fictieve voordeel is 26,9% inkomstenbelasting in box 2 verschuldigd in 2022. Na het belasten van het fictieve voordeel is de dga niet verlost van de schuld, de aflossings- en rentebetalingsverplichting blijven bestaan.

Geen onderscheid tussen zakelijke en onzakelijke schulden
1. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen schulden onder zakelijke voorwaarden aangegaan dan wel schulden onder onzakelijke voorwaarden aangegaan. Of er al dan niet zicht is op terugbetaling van de geldlening doet niet ter zake.

2. Als er met voldoende zekerheid is geleend, zal afgerekend moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan de in de praktijk veel voorkomende situatie dat de dga in privé een vastgoedportefeuille heeft opgebouwd met een waarde van € 10 miljoen, waarbij de bv € 6 miljoen heeft gefinancierd. In dat geval moet er over € 5,5 miljoen worden afgerekend. Terwijl de liquiditeiten om af te rekenen mogelijk helemaal niet beschikbaar zijn en de bv over voldoende zekerheden beschikt om terug betaald te worden.

Dubbele belastingheffing bij dga’s als gevolg van het wetsvoorstel
3. Het wetsvoorstel leidt tot dubbele belastingheffing bij dga’s. Als er over het exces van de schuld belasting is betaald, mag in een later jaar rekening gehouden worden met de eerdere fictieve heffing. Dit om te voorkomen dat er over hetzelfde deel van het exces van de schuld nogmaals inkomstenbelasting wordt geheven. Op het moment dat de vordering op de dga wordt uitgekeerd ten titel van dividend dan wel wordt prijsgegeven, geldt er geen aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing, voor zover er eerder al een fictieve heffing heeft plaatsgevonden. In dat geval wordt er dubbel geheven, eerst is er 26,9% geheven over het fictieve inkomen. Later wordt er nogmaals 26,9% geheven over de uitdeling. Totaal is de heffing dan 53,8%.

4. In de afgelopen jaren hebben veel particulieren hun box 3 vermogen als kapitaalstorting ingebracht in de bv en vervolgens terug geleend. Over deze lening moet afgerekend worden voor zover deze de € 500.000 overstijgt terwijl er helemaal geen overwaarde op de aandelen van de bv is, waarop een inkomstenbelastingclaim rust.

Lenen aan familieleden leidt tot fiscaal afrekenen
5. Aandeelhouders met een belang vanaf 5% kunnen met de fictieve heffing worden geconfronteerd in het geval er is geleend aan henzelf dan wel aan familieleden ((groot)ouders en (klein)kinderen). Een minderheidsaandeelhouder zal vaak geen mogelijkheid hebben om een dividenduitkering af te dwingen, dan wel het beleid met betrekking tot het verstrekken van geldleningen kunnen beïnvloeden. Het lenen door de bv aan familieleden in de rechte lijn, kan wel tot belastingheffing bij de dga leiden.

6. In reguliere bedrijfsoverdrachtssituaties blijft de bedrijfsopvolger in privé de koopsom verschuldigd aan de holding van vader of moeder voor de koop van de aandelen in de werkmaatschappij.  Dat leidt tot verplicht afrekenen voor zover de schuld hoger is dan € 500.000. In de memorie van toelichting is dit zelfs in een voorbeeld uitgewerkt, dit kan toch niet de bedoeling zijn van het wetsvoorstel.

7. De bv wordt beperkt in de mogelijkheden om overtollige liquide middelen te beleggen, als er niet meer uitgeleend mag worden dan in totaal € 500.000 aan de dga en zijn familieleden.

8. Tot slot is in de toelichting op het wetsvoorstel geschreven dat voor leningen tot € 500.000 nog steeds getoetst moet worden of die lening niet onder zodanige voorwaarden is aangegaan, dat er feitelijk een uitdeling aan de aandeelhouder heeft plaatsgevonden. Ook met dit wetsvoorstel is de discussie of de dga in staat is om de geldlening af te lossen niet geëindigd.

Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

 

Volledig bericht lezen
Meer over: box 2, dga, excessief lenen
1 - 10 van 37 resultaten