Belasting blog


Geregeld verschijnt er een belastingadvies blog over een actueel fiscaal onderwerp. Dit blog is bedoeld om u te informeren over voor u interessante ontwikkelingen op het gebied van belastingen. Het kan gaan om nieuwe jurisprudentie of hoe een nieuwe regeling in de praktijk uitwerkt.

Als u na het lezen van een blog vragen heeft, schroom niet om die te stellen!

Gepubliceerd op door

Hoge Raad zet streep door box 3-heffing! Wat betekent dit voor u?

Volledig bericht lezen: Hoge Raad zet streep door box 3-heffing! Wat betekent dit voor u?

Sinds 2013 is er geprocedeerd over de box 3 heffing. Daarbij ging het steeds om de vraag of de box 3 heffing in strijd was artikel 1 EP EVRM (recht op ongestoord eigendom) en met het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 14 EVRM. De rechter oordeelde soms wel dat er bij de box 3 heffing strijd is met de hiervoor genoemde artikelen, maar dat rechtsherstel niet van de rechter kan komen, maar van de politiek moet komen. In incidentele gevallen honoreerde de rechter het beroep dat de box 3 heffing een individueel buitensporige last vormt wel. Nu heeft de Hoge Raad eindelijk beslist dat de box 3-heffing tot een onredelijke situatie kan leiden voor belastingplichtigen en dat belasting geheven moet worden op basis van het werkelijk behaalde rendement.

Hierna zullen we behandelen waarom deze uitspraak van belang is voor de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2017 en 2018, maar ook de daaropvolgende jaren.

Wat heeft de Hoge Raad besloten over de box 3-heffing?

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de box 3 heffing in strijd is met artikel 1 EP EVRM (recht op ongestoord eigendom) en met het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 14 EVRM. Daarbij is ook geoordeeld dat direct rechtsherstel geboden kan worden, waarbij de box 3 heffing is verlaagd.

Waar ging de procedure over?

De belastingplichtige in de procedure had aan vermogen van € 1 miljoen euro dat voor 80% was belegd in spaargeld met een lage rente. Het in de jaren 2017 en 2018 behaalde rendement bedroeg € 6.612 respectievelijk € 3.528, de verschuldigde box 3 heffing bedroeg € 12.705 (2017) en € 11.969 (2018). Belangrijk is om op te merken dat de belastingheffing over box 3 per 1 januari 2017 was gewijzigd, waarbij de belastingheffing meer is gedifferentieerd naar de omvang van het vermogen. Tot 1 januari 2017 werd belasting geheven over een fictief rendement waarvan de hoogte niet afhankelijk was van de omvang van het vermogen. Vanaf 1 januari 2017 zijn er een drietal schijven die een oplopend fictief rendement kennen. Voor het jaar 2022 zien de schijven er als volgt uit:

box_3_tarieven_2022

De Hoge Raad heeft nu geoordeeld dat deze wijze van het bepalen van het rendement in strijd is met artikel 1 EP EVRM (recht op ongestoord eigendom) en met het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 14 EVRM. Dit omdat je als belegger gedwongen wordt om een risicovoller beleggingsbeleid te voeren, om de genoemde rendementen te halen. Waarbij het uiteindelijk onzeker is dat de rendementen ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat het box 1 inkomen niet hoeft te worden meegenomen om te bepalen of de belastingheffing over box 3 te hoog is. In eerdere procedures heeft de rechter dat wel meegewogen om te bepalen of sprake is van een individueel buitensporige last. Dat betekent dat alleen de box 3 heffing in de beoordeling meegenomen moet worden in relatie tot het behaalde rendement.
De gedachte achter de verschillende schijven is dat naarmate het vermogen omvangrijker wordt, er meer belegd wordt dan gespaard. In de eerste schijf wordt met een rendement gerekend van 0,03% over 67% van het vermogen en 5,53% rendement over 33% van het vermogen. Bij de derde schijf wordt over het volledige deel van het vermogen een rendement gerekend van 5,53%.

De Hoge Raad heeft geconcludeerd dat met de wijziging in de box 3 heffing per 1 januari 2017 het stelsel verder is af komen te staan van een heffing over inkomen, waarvan kan worden aangenomen dat een individuele belastingplichtige het daadwerkelijk heeft genoten. Daarbij is ook meegewogen dat een ander stelsel van box 3 heffing uitgaande van daadwerkelijk gerealiseerde rendementen pas op zijn vroegst pas in 2025 verwacht wordt. Dit alles in overweging nemende heeft de rechter besloten dat de box 3 heffing moet plaatsvinden over de daadwerkelijk gerealiseerde rendementen.

Voor de jaren 2017 en 2018 in totaal zes verschillende belastingplichtigen aangewezen waarvoor de (massaal bezwaar tegen de box 3 heffing) proefprocedures lopen. Op dit moment verwacht ik dat de andere uitspraken die nog onder de rechter zijn op dezelfde wijze afgedaan zullen worden als de uitspraak van de Hoge Raad op 24 december 2021.

Wat betekent deze uitspraak nu voor de praktijk?

Deze uitspraak ziet op een procedure tegen de box 3 heffing in de jaren 2017 en 2018, die is aangewezen in het kader van de massaal bezwaar procedure. Dat betekent dat de Belastingdienst voor alle belastingplichtigen die meelopen in de massaal bezwaar procedure uitspraak op bezwaar gaat doen conform deze uitspraak. De uitspraak van de Hoge Raad laat nog wel wat vragen open voor de praktijk. Daar ga ik hierna verder op in.

Allereerst denk ik dat voor belastingplichtigen die meelopen in de massaal bezwaar procedure en die in de jaren 2017 en 2018 een hoger rendement hebben gehaald dan het genoemde fictieve rendement, de belastingheffing gemaximeerd blijft tot de forfaitaire belastingheffing. Voor hen zal de uitspraak naar ik verwacht geen gevolgen hebben. Zij kunnen een beroep op de wet doen.

Voor de andere belastingplichtigen kan de uitspraak dus wel gevolgen hebben. Wat helaas niet goed blijkt uit de uitspraak is hoe het genoten rendement precies is bepaald. Voor zover het om banktegoeden gaat is dat niet ingewikkeld en vormt de ontvangen rente het rendement. Wat vormt het rendement bij de beleggingen in onroerend goed, aandelen en obligaties? Alleen het ontvangen huurinkomsten, bruto dividend en de rente? Of ook de (gerealiseerde) waarde-/koersstijgingen en -dalingen?

Een ander aandachtspunt bij de afdoening van de bezwaarschriften betreft hoe om te gaan met fiscale partners, waarbij de ene partner alleen spaartegoeden heeft met weinig rendement en de andere partner met beleggen in aandelen hoge rendementen heeft behaald. Krijgt de belastingplichtige met het lage rendement ook compensatie?

Wat nu als er nooit bezwaar is aangetekend?

Als er nooit bezwaar is aangetekend en de aanslagen inkomstenbelasting 2017 en 2018 staan inmiddels definitief vast, dan is het alleen nog mogelijk om ambtshalve te verzoeken om vermindering van die aanslagen. Tegen zo een verzoek staat vervolgens bezwaar en beroep open. Belangrijk is om op te merken dat aan bepaalde voorwaarden voldaan moet zijn, wil men om ambtshalve vermindering verzoeken. In dit geval wordt verzocht om ambtshalve vermindering naar aanleiding van een uitspraak van de rechter. Zo een verzoek kan niet terugwerken naar aanslagen die al voor de dag van de uitspraak definitief zijn geworden. Dat betekent dat een verzoek om ambtshalve vermindering alleen zal worden gehonoreerd op het moment dat het Ministerie van Financiën heeft besloten dat deze aanslagen ook voor vermindering in aanmerking komen.

Wat wel kan pleiten voor het verzoek om ambtshalve vermindering is dat als er veel van deze verzoeken binnenkomen, het Ministerie van Financiën dat mogelijk zal meewegen om de Belastingdienst een aanwijzing te geven om de verzoeken om ambtshalve vermindering toe te wijzen.

Als de Belastingdienst het verzoek om ambtshalve vermindering afwijst, staat beroep open bij de rechter.

In het verzoek om ambtshalve vermindering kan ook verwezen worden naar de strijdigheid met het Europese recht. In sommige gevallen worden bezwaartermijnen feitelijk opgeschort op het moment dat Nederlandse regelgeving in strijd is met Europese regelgeving. Dat betekent dat ook buiten de bezwaartermijnen de Belastingdienst en eventueel de rechter een verzoek om vermindering van de aanslag inkomstenbelasting moet honoreren. Mogelijk is dit van alle mogelijkheden nog de meest kansrijke route om om ambtshalve vermindering te verzoeken.

Wat gaat de Belastingdienst nu doen?

Afgewacht moet worden wat de Belastingdienst gaat doen. Naar verwachting zal de Hoge Raad voor andere proefprocedures niet tot een andere conclusie komen. Daarom denk ik dat voor alle aanslagen die onder de massaal bezwaarprocedure vallen uitspraak op bezwaar gedaan kan worden met wat de Hoge Raad nu heeft beslist.

Waarschijnlijk zal het Ministerie van Financiën eerst aan zet zijn om een richtlijn op papier te zetten hoe de uitspraak van de Hoge Raad moet worden toegepast. Daarbij zal het om de invulling gaan van hoe het begrip rendement precies moet worden uitgelegd want dat blijkt naar mijn mening onvoldoende uit de uitspraak. Ook zal daarbij meegenomen moeten worden of de uitspraak op individueel niveau moet worden toegepast of voor de belastingplichtigen gezamenlijk. Dat laatste kan dus betekenen dat de belastingplichtige met alleen spaargeld geen compensatie krijgt als de fiscale partner een voldoende hoog rendement heeft behaald met beleggen.

Hoe moet het rendement nu bepaald worden waarover inkomstenbelasting verschuldigd is?

Onder de Wet inkomstenbelasting 1964 werden koerswinsten op beleggingen niet in de belastingheffing betrokken. Bij koerswinsten moet gedacht worden aan waardestijgingen van aandelen, obligaties en onroerend goed. Rente, dividend, huuropbrengsten enz. werden wel in de belastingheffing betrokken. Mogelijk kan aangesloten worden bij wat onder de Wet inkomstenbelasting 1964 als belastbaar inkomen werd gezien.

Uiteindelijk is het goed mogelijk dat het Ministerie van Financiën zal besluiten dat de Belastingdienst alleen compensatie zal geven aan belastingplichtigen voor zover ze op 1 januari van een jaar spaargelden en liquide middelen aanhouden bij de bank. Over die informatie beschikt de Belastingdienst al. In de uitspraak die de Hoge Raad heeft gedaan, is de compensatie niet op die wijze bepaald. Daar is gerekend met het totale box 3 vermogen van de belastingplichtige. Een andere mogelijkheid is dat de Belastingdienst zal aansluiten bij wat onder de Wet inkomstenbelasting 1964 als belastbaar inkomen werd gezien. Dan worden rente-, huur- en dividendopbrengsten als inkomen gezien en wordt daarover de verschuldigde inkomstenbelasting berekend. Veel van de informatie om de aanslag op te leggen, zal naar verwachting bekend zijn bij de Belastingdienst. Weggebleven wordt dan van de arbitraire discussie of ook met de (wel/niet gerealiseerde) waardestijging van beleggingen rekening gehouden moet worden. En hoe de waardestijging te bepalen en wanneer die als gerealiseerd moet worden beschouwd.

Wat betekent de uitspraak voor de toekomstige belastingaangiften?

Omdat er nog een en ander onzeker is over de uitwerking van de uitspraak van de Hoge Raad voor nog openstaande aanslagen is het van belang om tegen nog niet definitieve aanslagen inkomstenbelasting, waarbij ook box 3 heffing plaatsvindt, bezwaar aan te tekenen. Dat geldt ook voor de aanslagen opgelegd over de jaren na 2017 en 2018.

Als met waardestijgingen van beleggingen geen rekening wordt gehouden, maar alleen gekeken wordt naar geldstromen zoals rente, dividend en huur, is het goed mogelijk dat veel meer belastingplichtigen in aanmerking komen voor compensatie dan in eerste instantie rekening mee gehouden zal zijn. Dus ook belastingplichtigen die gezien het behaalde rendement op hun beleggen denken niet in aanmerking te komen voor een vermindering kunnen een kans maken. Daarom kunnen die ook overwegen om bezwaar aan te tekenen.

Kortom de uitspraak van de Hoge Raad laat nog best wat onzekerheid over voor de belastingplichtige. Hopelijk komt het Ministerie van Financiën op korte termijn met een nadere toelichting hoe om te gaan met deze uitspraak van de Hoge Raad.

Update voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2022

De Belastingdienst heeft aangegeven dat zij bij het opleggen van de voorlopige aanslagen geen rekening heeft kunnen houden met de uitspraak van de Hoge Raad. Dat betekent dat de aanslagen zijn opgelegd rekening houdend met de bestaande box 3 tarieven. De Belastingdienst is nu bezig om in kaart te brengen wat de uitspraak precies betekent. Als later blijkt dat de er minder inkomstenbelasting verschuldigd is, zal de Belastingdienst de aanslagen verminderen. Zodra meer bekend is over de precieze uitwerking van de uitspraak van de Hoge Raad kan alsnog om vermindering van de voorlopige aanslag verzocht worden.

Wilt u meer weten over voorgaande dan wel wanneer u wilt verzoeken om vermindering van belastingaanslagen, dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met mr. Ewoud de Ruiter - fiscalist op 030 - 687 0 383 of mailen naar info(ad)3rrrbelastingadviseurs.nl

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Wanneer vermindert rechter de box 3 belasting wegens een buitensporige last?

Volledig bericht lezen: Wanneer vermindert rechter de box 3 belasting wegens een buitensporige last?

Volgens een op 19 oktober 2021 gepubliceerde uitspraak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij een belastingplichtige de aanslagen inkomstenbelasting 2017, 2018 en 2019 verminderd. Bij de box 3 heffing was sprake van een individuele en buitensporige last voor de belastingplichtige. De belastingplichtige en zijn echtgenote hadden naast ongeveer € 1,3 miljoen box 3 vermogen ook aandelen in een besloten vennootschap met een negatief vermogen. Omdat zij over onvoldoende inkomen beschikten om de verschuldigde box 3 heffing te betalen, vond de rechter het gepast om de verschuldigde box 3 belasting te verlagen.

Bij de vraag of deze belanghebbenden moeten interen op hun vermogen om de belasting te voldoen speelden de volgende aspecten. De daadwerkelijke rente-inkomen moeten tegen het op de aanslag verschuldigde bedrag aan belasting worden afgezet. Ook moet rekening gehouden worden met de waarde van het minimuminkomen dat de algemene heffingskorting vertegenwoordigt. Het minimuminkomen is gebaseerd op het tarief van de eerste inkomstenbelastingschijf (inclusief premies volksverzekeringen) van 36,55%. Uitgaande van de maximale algemene heffingskorting van € 2.254 bedraagt het vrijgestelde minimuminkomen € 6.167 per persoon. Dat bedrag aan inkomen hoeft niet aangewend te worden voor het betalen van belasting. De keuze voor deze tariefstelling maakt tevens enige vergelijking mogelijk tussen belastingplichtigen zonder (box 1) inkomen en belastingplichtigen met een (gering box 1) inkomen.

Op basis van de belastingtarieven van het jaar 2017 is er slechts ruimte om box 3 heffing te betalen voor zover het inkomen hoger is dan € 6.167. Rekening houdend met de kosten voor levensonderhoud zal er dan nog steeds ingeteerd worden op het vermogen.

De box 3 heffing is in strijd met artikel 1 EP (Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) omdat de belastingheffing te hoog uitkomt in relatie tot het vrijgestelde minimuminkomen. Dat de bv beschikte over een stamrechtvoorziening die volgens de inspecteur tot uitkering had kunnen komen was volgens de rechtbank niet relevant, omdat er geen uitkering van genoten werd.

Eerdere/andere rechtspraak over box 3 heffing

In de hiervoor genoemde uitspraak ging het om een belastingplichtige die niet over ander inkomen beschikte dan de rente-inkomsten uit de spaartegoeden. Er zijn al meer uitspraken geweest over de box 3 heffing waarbij is vastgesteld dat die in strijd is met het EVRM. Hierna behandelen we een aantal uitspraken waar de rechter de aanslag wel/niet heeft verminderd.

Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft beslist dat de aanslag inkomstenbelasting niet in stand kon blijven omdat voor de box 3 heffing sprake was van een individuele buitensporige last. Die uitspraak is door de Hoge Raad toen bevestigd. In die situatie ging het om een belastingplichtige die zijn gehele vermogen had belegd in aandelen SNS, de bank die vlak na de jaarwisseling (peildatum box 3) zonder vergoeding is onteigend door de staat. Er was daardoor geen geld om de verschuldigde inkomstenbelasting te betalen en belastingplichtige zou over dat jaar zijn recht op huurtoeslag ook verloren hebben.

In proefprocedures heeft de rechtbank geoordeeld dat het box 3-stelsel in 2017 en 2018 in strijd was met het discriminatieverbod van art. 14 EVRM. De rechtbank zag evenwel geen mogelijkheden om het ontstane rechtstekort te repareren. Daarvoor zouden keuzes gemaakt moeten worden die aan de wetgever zijn. Dit standpunt heeft de Hoge Raad bevestigd voor de jaren voor 2017. In deze uitspraak ging het om een individuele buitensporige last.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op dezelfde dag als bovengenoemde uitspraak nog meer uitspraken gedaan inzake de box 3 heffing. In die uitspraken is het beroep op de buitensporige last niet gehonoreerd. Daaruit kan geconcludeerd worden dat slechts in incidentele gevallen aanslagen inkomstenbelasting verminderd zullen worden omdat sprake is van een individuele buitensporige last.

De Hoge Raad heeft op 2 juli 2021 geoordeeld dat als bij een belastingplichtige sprake is van een buitensporige last er daarmee sprake is van strijd met het ongestoorde recht op eigendom (art. 1 EP EVRM) als de box 3 belasting hoger is dan het daadwerkelijke rendement en de belastingplichtige de verschuldigde belasting niet uit zijn inkomen kan voldoen.

Op 25 oktober 2021 heeft de rechtbank Gelderland een uitspraak gepubliceerd in een procedure waarbij het standpunt werd ingenomen dat sprake was van een individuele en buitensporige last. In de casus ging het om de verhuur van onroerend goed wat per jaar € 5.362 aan huuropbrengsten opleverde. De rechtbank besliste dat belastingplichtige duurzaam belegt in onroerend goed en dat onroerend goed een (forse) ongerealiseerde vermogenswinst (stille reserves) bevat. Deze vermogenswinst leidt weliswaar niet direct tot een cash flow, maar op het moment van verkoop komt deze meerwaarde wel liquide beschikbaar. Naar het oordeel van de rechtbank moet ook deze (indirecte) opbrengst worden meegewogen in de beoordeling van de vraag of sprake is van een buitensporige last.

Massaal bezwaar

Momenteel lopen er bezwaarprocedures tegen de box 3 heffing van verschillende jaren. Deze bezwaarprocedures zijn aangewezen als zogenaamde massaal bezwaarprocedures. De rechtsvraag waarvoor de massaal bezwaarprocedure geldt luidt als volgt:

Is de vermogensrendementsheffing in het betreffende belastingjaar, uitgaande van de forfaitaire elementen van het stelsel, in onderlinge samenhang en met inachtneming van het heffingsvrije vermogen en het belastingtarief van 30%, op regelniveau in strijd met:

  1. artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, zonder dat de schending van de “fair balance” op het niveau van de individuele belastingplichtige wordt beoordeeld; of
  2. het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM?

Houdt er rekening mee dat er tegen de aanslag inkomstenbelasting bezwaar aangetekend moet worden om de aanslag mee te laten lopen in de massaal bezwaarprocedure dan wel de individuele bezwaarprocedure. Eventueel zal aanvullend een onderbouwd beroep op de wegens een buitensporige last gedaan moeten worden. Zoals hiervoor al geschreven is, zal het beroep op de buitensporige last in een beperkt aantal gevallen gehonoreerd worden.

Als meer wilt lezen over belasting besparen in box 3 via het oprichten van een bv of open fonds voor gemene rekening verwijzen wij graag naar de volgende notitie.

Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met mr. Ewoud de Ruiter - fiscalist op 030 - 687 0 383 of mailen naar info(ad)3rrrbelastingadviseurs.nl

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Stijgende box 3 tarieven, hoe aantrekkelijk is beleggen in een spaar-bv?

Volledig bericht lezen: Stijgende box 3 tarieven, hoe aantrekkelijk is beleggen in een spaar-bv?

Hierna volgt een update van mijn blog uit 2019 waarin ik ben ingegaan op het voordeel van het overbrengen van box 3 vermogen naar box 2. De nieuwe box 3 tarieven zijn bekend gemaakt. Tot een vermogen van € 50.000 is vermogen vrijgesteld van belastingheffing (voor fiscale partners is dit verdubbeld naar € 100.000). Over de hele linie stijgt het tarief van de verschuldigde vermogensrendementsheffing in box 3. Tot het jaar 2021 bedraagt de box 3-heffing 30% over het forfaitaire rendement, vanaf 2021 wordt dit verhoogd naar 31%. Er is in 2021 dus meer vermogensbelasting verschuldigd over het box 3 vermogen. Met de lage rente op spaargeld wordt het alleen maar aantrekkelijkker om vermogen naar box 2 over te brengen. Hierna gaan wij in op de vraag tot welk rendement is beleggen in de spaar-bv interessant? Als alternatief voor de spaar-bv behandelen we ook het open fonds voor gemene rekening.

Box 3 vermogen overbrengen naar box 2

Wie vermogen overbrengt van box 3 naar box 2 wil minder box 3 belasting betalen. Door vermogen voor de waardepeildatum 1 januari naar box 2 over te brengen, wordt het niet meegeteld voor de grondslag voor de box 3 vermogensbelasting. Het overbrengen van vermogen van box 3 naar box 2 gebeurt door het in te brengen in een besloten vennootschap (spaargeld-bv) ten titel van kapitaalstorting. Bij de spaargeld-bv zal er tot een winst van € 245.000 15,0% vennootschaps- of winstbelasting verschuldigd zijn, over het meerdere is 25% vennootschapsbelasting verschuldigd in 2021. Als het netto resultaat als dividend wordt uitgekeerd is er nog eens 26,9% inkomstenbelasting verschuldigd, het box 2 tarief. Het uitkeren van dividend is niet verplicht. Hierdoor kan de belastingclaim op de beleggingsresultaten na aftrek van de betaalde vennootschapsbelasting nog heel lang kan worden uitgesteld.

Waar ligt het omslagpunt bij een duurzame overgang naar box 2?

In het overzicht hierna zijn in kolom B de box 3- tarieven opgenomen voor het jaar 2020. In kolom C is ter vergelijking die van het jaar 2020 opgenomen. Kolom D laat zien tot welk rendement beleggen in box 2 interessant is. Bij de berekening is rekening gehouden met het vpb tarief van 16,5% (tarief 2020) over winsten in de spaargeld-bv tot € 200.000. En vervolgens met het box 2-tarief van 26,5%. Door de vbi-status (vrijgestelde beleggingsinstelling) aan te vragen is er op het niveau van de rechtspersoon geen vennootschapsbelasting verschuldigd. Hierdoor blijft het bij hogere rendementen aantrekkelijk is om in box 2 te beleggen. Zie daarvoor kolom E.

De keuze voor het wel of niet aanvragen van de vbi status, is dus afhankelijk van het verwachte rendement. Eigenlijk is het aanvragen van de vbi-status alleen aantrekkelijk als het rendement minimaal 5,69% bedraagt, maar niet hoger is dan 6,56%. In dat geval moet het om vermogen gaan dat in box 3 in de hoogste schijf belast is.

Rekenvoorbeeld belasting besparen in box 2

Alleenstaande bezit spaargeld € 300.000

Rentevergoeding op spaartegoed is 0

Besparing in 2021 door € 200.000 in een besloten vennootschap in te brengen: € 2.800. Voor het jaar 2020 bedroeg de besparing nog € 2.540.

Uit de berekening blijkt dat het oprichten van een besloten vennootschap al snel aantrekkelijk is.

Boxhoppen

Boxhoppen is het tijdelijk overbrengen van box 3 vermogen naar box 1 of box 2. In de belastingwet zijn maatregelen opgenomen om boxhoppen tegen te gaan. Dat vermogen moet minimaal 6 maanden uit box 3 wegblijven, wil men voorkomen dat er alsnog ook in box 3 inkomstenbelasting over verschuldigd is. Dat betekent dat het pas na 6 maanden en 1 dag na de jaarwisseling weer naar box 3 gehaald kan worden. Het vermogen moet dan wel minimaal 6 maanden en 1 dag voorafgaand aan de jaarwisseling naar box 2 moet zijn overgegaan.

Wordt het een BV of een open fonds voor gemene rekening?

Tot slot speelt nog de vraag hoe nu dat vermogen naar box 2 over te brengen? Dat kan door oprichting van een besloten vennootschap en het vermogen als kapitaal te storten. Wil men later kapitaal terugbetalen, dan is een gang langs de notaris vereist. Een open fonds voor gemene rekening kan bij overeenkomst worden opgericht. Hierdoor is een gang langs de notaris niet nodig. Ook voor het terugbetalen van kapitaal is een bezoek aan de notaris niet nodig.

Een open fonds voor gemene rekening is veel flexibeler. Het open fonds voor gemene rekening hoeft ook geen jaarrekening bij de Kamer van Koophandel te deponeren, waardoor wat wordt ingebracht onzichtbaar voor de buitenwereld (anoniem) blijft. Uw buren zullen dus niet weten hoeveel vermogen u hebt. Aan het oprichten van een open fonds voor gemene rekeningen stelt de Belastingdienst meer voorwaarden, dan aan het oprichten van een besloten vennootschap. Dat pleit weer voor het gebruik van de spaargeld-bv. Uiteindelijk hangt het van de persoonlijke situatie en wensen af wat de beste keuze is tussen het open fonds voor gemene rekening en de spaargeld-bv om box 3 belasting te besparen.

Beleggen in een VBI

Daarna kan bepaald worden of de aanvraag van de vbi-status (vrijgestelde beleggingsinstelling) aantrekkelijk is. Door het aanvragen van de vbi-status hoeft er geen winstbelasting (vennootschapsbelasting) betaald te worden over de resultaten uit de beleggingen. Als de vbi-status wordt  aangevraagd zijn er twee aandachtspunten:

  1. Voor zover er geen of te weinig dividend wordt uitgekeerd in een jaar, is er 26,9% inkomstenbelasting verschuldigd over een forfaitair rendement van 5,69%. Per saldo 1,53%. Het forfaitaire inkomen wordt verlaagd met het in het jaar uitgekeerde dividend. Voor zover er een forfaitair rendement in aanmerking is genomen, verhoogt dit het fiscaal opgeofferde bedrag van de participaties in de vbi.
  2. Het vermogen dat box 3 verlaten heeft, moet minimaal 18 maanden in de vbi blijven

Dat betekent dat u dan, als het vermogen tegen het eind van het jaar wordt ingebracht, twee peildata mist. Als het rendement in de vbi lager ligt dan 5,69% op jaarbasis, loopt u als belegger het risico dat er door het forfaitaire rendement in box 2 uiteindelijk meer inkomstenbelasting betaald is gedurende het bestaan van de vbi, dan er verschuldigd is over het werkelijk behaalde rendement. Dit voorkomt u door periodiek de vbi te ontbinden. Dan wordt er een eindafrekening gemaakt, voor zover het fiscale opgeofferde bedrag van de participaties groter is dan de intrinsieke waarde, resulteert dat in een verlies. Dit verlies kan terug gewenteld worden naar het daaraan voorafgaande jaar en daarmee verrekend worden.

Door in 2020 nog een deel van uw vermogen over te brengen naar box 2, kunt u een fors bedrag aan vermogensbelasting besparen in 2021. U kunt voor uzelf nagaan of het oprichten van een vbi extra belastingvoordeel oplevert.

Voor een uitgebreidere toelichting verwijzen wij graag naar de notitie: beleggen in box 2 of box 3

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Dalende box 3 tarieven, hoe aantrekkelijk is beleggen in een spaar-bv?

Volledig bericht lezen: Dalende box 3 tarieven, hoe aantrekkelijk is beleggen in een spaar-bv?

De nieuwe box 3 tarieven zijn bekend gemaakt. Tot een vermogen van € 30.846 is vermogen vrijgesteld van belastingheffing (voor fiscale partners is dit verdubbeld naar € 61.692). Over de hele linie daalt het tarief van de verschuldigde vermogensrendementsheffing in box 3. Er is in 2020 dus minder vermogensbelasting verschuldigd over het box 3 vermogen. Toch blijft het met de lage rente op spaargeld aantrekkelijk om vermogen naar box 2 over te brengen. Hierna gaan wij in op de vraag tot welk rendement is beleggen in de spaar-bv interessant? Als alternatief voor de spaar-bv behandelen we ook het open fonds voor gemene rekening.

Hoe wordt box 3 vermogen overgebracht naar box 2?

Minder box 3 belasting betalen is het doel als vermogen van box 3 naar box 2 wordt overgebracht. Door vermogen voor de waardepeildatum 1 januari naar box 2 over te brengen, wordt het niet meegeteld voor de grondslag voor de box 3 vermogensbelasting. Het overbrengen van vermogen van box 3 naar box 2 gebeurt door het in te brengen in een besloten vennootschap (spaargeld-bv) ten titel van kapitaalstorting. Bij de spaargeld-bv zal er tot een winst van € 200.000 16,5% vennootschaps- of winstbelasting verschuldigd zijn, over het meerdere is 25% vennootschapsbelasting verschuldigd in 2020. Als het netto resultaat als dividend wordt uitgekeerd is er nog eens 26,5% inkomstenbelasting verschuldigd, het box 2 tarief. Het uitkeren van dividend is niet verplicht, waardoor de belastingclaim op de beleggingsresultaten na aftrek van de betaalde vennootschapsbelasting nog heel lang kan worden uitgesteld.

Waar ligt het omslagpunt bij een duurzame overgang naar box 2?

In het overzicht hierna zijn in kolom B de box 3- tarieven opgenomen voor het jaar 2020, in kolom C ter vergelijking die van het jaar 2019 opgenomen. Kolom D laat zien tot welk rendement beleggen in box 2 interessant is. Bij de berekening is rekening gehouden met het vpb tarief van 16,5% (tarief 2020) over winsten in de spaargeld-bv tot € 200.000. En vervolgens met het box 2 tarief van 26,5%. Door de vbi-status (vrijgestelde beleggingsinstelling) aan te vragen is er op het niveau van de rechtspersoon geen vennootschapsbelasting verschuldigd, waardoor bij hogere rendementen het aantrekkelijk is om in box 2 te beleggen, zie daarvoor kolom E.

box_3_-_tarieven_2020

Uit voorgaande overzicht blijkt dat het aanvragen van de vbi-status  er voor zorgt dat tot een hoger rendement inbrengen in box 2 interessant kan zijn. De keuze voor het wel of niet aanvragen van de vbi status, is dus afhankelijk van het verwachte rendement. Eigenlijk is het aanvragen van de vbi-status alleen aantrekkelijk als het rendement minimaal 5,33% bedraagt, als het box 3 vermogen duurzaam in de vbi wordt gebracht. In dat geval moet het om vermogen gaan dat in box 3 in de hoogste schijf belast is.

Boxhoppen

Boxhoppen is het tijdelijk overbrengen van box 3 vermogen naar box 1 of box 2. In de belastingwet zijn maatregelen opgenomen om boxhoppen tegen te gaan. Dat vermogen moet minimaal 6 maanden uit box 3 wegblijven, wil men voorkomen dat er alsnog ook in box 3 inkomstenbelasting over verschuldigd is. Dat betekent dat het pas na 6 maanden en 1 dag na de jaarwisseling weer naar box 3 gehaald kan worden. Dan wel dat het vermogen minimaal 6 maanden en 1 dag voorafgaand aan de jaarwisseling naar box 2 moet zijn overgegaan.

Wordt het een BV of een open fonds voor gemene rekening?

Tot slot speelt nog de vraag hoe nu dat vermogen naar box 2 over te brengen? Dat kan door oprichting van een besloten vennootschap en het vermogen als kapitaal te storten. Wil men later kapitaal terugbetalen, dan is een gang langs de notaris vereist. Een open fonds voor gemene rekening kan bij overeenkomst worden opgericht, waardoor een gang langs de notaris niet nodig is. Ook voor het terugbetalen van kapitaal is een bezoek aan de notaris niet nodig. Een open fonds voor gemene rekening is veel flexibeler. Het open fonds voor gemene rekening hoeft ook geen jaarrekening bij de Kamer van Koophandel te deponeren, waardoor wat wordt ingebracht onzichtbaar voor de buitenwereld (anoniem) blijft. Uw buren zullen dus niet weten hoeveel vermogen u hebt. Aan het oprichten van een open fonds voor gemene rekeningen stelt de Belastingdienst meer voorwaarden, dan aan het oprichten van een besloten vennootschap. Dat pleit weer voor het gebruik van de spaargeld-bv. Uiteindelijk zal het van de persoonlijke situatie en wensen afhangen wat de beste keuze is tussen het open fonds voor gemene rekening en de spaargeld-bv om box 3 belasting te besparen.

Beleggen in een VBI

Daarna kan bepaald worden of de aanvraag van de vbi-status (vrijgestelde beleggingsinstelling) aantrekkelijk is. Door het aanvragen van de vbi-status hoeft er geen winstbelasting (vennootschapsbelasting) betaald te worden over de resultaten uit de beleggingen. Als de vbi-status wordt  aangevraagd zijn er twee aandachtspunten:

  1. Voor zover er geen of te weinig dividend wordt uitgekeerd in een jaar, is er 26,5% inkomstenbelasting verschuldigd over een forfaitair rendement van 5,33%. Per saldo 1,41%. Het forfaitaire inkomen wordt verlaagd met het in het jaar uitgekeerde dividend. Voor zover er een forfaitair rendement in aanmerking is genomen, verhoogt dit het fiscaal opgeofferde bedrag van de participaties in de vbi.
  2. Het vermogen dat box 3 verlaten heeft, moet minimaal 18 maanden in de vbi blijven

Dat betekent dat u dan twee peildata mist, als het vermogen tegen het eind van het jaar wordt ingebracht. Als het rendement in de vbi lager ligt dan 5,33% op jaarbasis, loopt u als belegger het risico dat er door het forfaitaire rendement in box 2 uiteindelijk meer inkomstenbelasting betaald is gedurende het bestaan van de vbi, dan er verschuldigd is over het werkelijk behaalde rendement. Dit voorkomt u door periodiek de vbi te ontbinden. Dan wordt er een eindafrekening gemaakt, voor zover het fiscale opgeofferde bedrag van de participaties groter is dan de intrinsieke waarde, resulteert dat in een verlies. Dit verlies kan terug gewenteld worden naar het daaraan voorafgaande jaar en daarmee verrekend worden.

Door in 2019 nog een deel van uw vermogen over te brengen naar box 2, kunt u een fors bedrag aan vermogensbelasting besparen in 2020. U kunt voor uzelf nagaan of het oprichten van een vbi extra belastingvoordeel oplevert.

Als u meer wilt weten over dit onderwerp, dan is het memorandum minder belasting betalen over uw box 3 vermogen in 2020 interressant voor u. U kunt het hier bestellen.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Belastingtarieven 2019, wanneer wordt box 3 beleggen interessant?

Volledig bericht lezen: Belastingtarieven 2019, wanneer wordt box 3 beleggen interessant?

De nieuwe box 3 tarieven zijn bekend gemaakt. Per saldo gaat de belastingheffing over de tweede en derde schijf van box 3 omhoog. Over de schijf tot € 102.010 daalt het tarief tot 0,582%. Het zal dus sneller aantrekkelijk zijn om vermogen naar box 2 over te brengen. Hierna gaan wij verder in op de vraag tot welk rendement is beleggen in de bv of het open fonds voor gemene rekening interessant?

Minder box 3 belasting betalen is het doel als vermogen van box 3 naar box 2 wordt overgebracht. Door vermogen voor de waardepeildatum 1 januari naar box 2 over te brengen, wordt het niet meegeteld voor de grondslag voor de box 3 vermogensbelasting.

Dat vermogen moet minimaal 6 maanden uit box 3 wegblijven, wil men voorkomen dat er alsnog ook in box 3 inkomstenbelasting over verschuldigd is. Dat betekent dat het pas na 6 maanden en 1 dag na de jaarwisseling weer naar box 3 gehaald kan worden. Dan wel minimaal 6 maanden en 1 dag voorafgaand aan de jaarwisseling naar box 2 zijn overgegaan.

Daarna kan bepaald worden of de aanvraag van de vbi-status (vrijgestelde beleggingsinstelling) aantrekkelijk is. Door het aanvragen van de vbi-status hoeft er geen winstbelasting (vennootschapsbelasting) betaald te worden over de resultaten uit de beleggingen. Als de vbi-status wordt  aangevraagd zijn er twee aandachtspunten:

  1. Voor zover er geen of te weinig dividend wordt uitgekeerd in een jaar, is er 25% inkomstenbelasting verschuldigd over een forfaitair rendement van 5,60%. Per saldo 1,4%. Het forfaitaire inkomen wordt verlaagd met het in het jaar uitgekeerde dividend. Voor zover er een forfaitair rendement in aanmerking is genomen, verhoogt dit het fiscaal opgeofferde bedrag van de participaties in de vbi.
  2. Het vermogen dat box 3 verlaten heeft, moet minimaal 18 maanden in de vbi blijven

Dat betekent dat u dan twee peildata mist, als het vermogen tegen het eind van het jaar wordt ingebracht. Als het rendement in de vbi lager ligt dan 5,4% op jaarbasis, loopt de belegger het risico dat er door het forfaitaire rendement in box 2 uiteindelijk meer inkomstenbelasting betaald is gedurende het bestaan van de vbi, dan er verschuldigd is over het werkelijk behaalde rendement. Dit voorkomt u door periodiek de vbi te ontbinden. Dan wordt er een eindafrekening gemaakt, voor zover het fiscale opgeofferde bedrag van de participaties groter is dan de intrinsieke waarde, resulteert dat in een verlies. Dit verlies kan terug gewenteld worden naar het daaraan voorafgaande jaar en daarmee verrekend worden.

Waar ligt het omslagpunt bij een duurzame overgang naar box 2?

In het overzicht hierna zijn in kolom B de tarieven van box 3 opgenomen voor het jaar 2019, in kolom C ter vergelijking die van het jaar 2018 opgenomen. Kolom D laat zien tot welk rendement beleggen in box 2 interessant is. Bij de berekening is rekening gehouden met het vpb tarief van 19% (tarief 2019) over winsten in de bv of open fonds voor gemene rekening (OFGR) tot € 200.000. En vervolgens met het box 2 tarief van 25%. Door de vbi status aan te vragen is er op het niveau van de rechtspersoon geen vennootschapsbelasting verschuldigd waardoor bij hogere rendementen het aantrekkelijk is om in box 2 te beleggen, zie daarvoor kolom E.

tabel_rendementsheffing_box_3_en_belastingdruk_box_2


Wordt het een BV of een open fonds voor gemene rekening?

Uit voorgaande blijkt dat het aanvragen van de vbi-status  er voor zorgt dat tot een hoger rendement inbrengen in box 2 interessant kan zijn. De keuze voor het wel of niet aanvragen van de vbi status, is dus afhankelijk van het verwachte rendement. Eigenlijk is het aanvragen van de vbi-status alleen aantrekkelijk als het rendement minimaal 5,4% bedraagt, als het box 3 vermogen duurzaam in de vbi wordt gebracht. In dat geval moet het om vermogen gaan dat in box 3 in de hoogste schijf belast is.

Tot slot speelt nog de vraag hoe nu dat vermogen naar box 2 over te brengen? Dat kan door oprichting van een besloten vennootschap en het vermogen als kapitaal te storten. Wil men later kapitaal terugbetalen, dan is een gang langs de notaris wel vereist. Een open fonds voor gemene rekening kan bij een overeenkomst worden opgericht, waardoor een gang langs de notaris niet nodig is. Ook voor het terugbetalen van kapitaal is een gang langs de notaris niet nodig. Een open fonds voor gemene rekening is veel flexibeler. Het open fonds voor gemene rekening hoeft ook geen jaarrekening bij de Kamer van Koophandel te deponeren, waardoor wat wordt ingebracht onzichtbaar voor de buitenwereld (anoniem) blijft. Aan het oprichten van een open fonds voor gemene rekeningen stelt de Belastingdienst meer voorwaarden, dan aan het oprichten van een besloten vennootschap.

Door in 2018 nog een deel van uw vermogen over te brengen naar box 2, kunt u een fors bedrag aan vermogensbelasting besparen in 2019. U zult voor uzelf na moeten gaan of het oprichten van een vbi gewenst is.

Als u meer wilt weten over dit onderwerp, dan is het memorandum minder belasting betalen over uw box 3 vermogen in 2019 interressant voor u. U kunt het hier bestellen.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Ook in 2017 blijft box hoppen interessant

De regelgeving inzake het oprichten van een vrijgestelde beleggingsinstelling (vbI) met box 3 vermogen wijzigt per 1 januari 2017 zo blijkt uit het Belastingplan 2017. Er is 1 nieuwe maatregel genomen en eerder was al bepaald dat met een hoger forfaitair rendement in box rekening gehouden met worden bij beleggen in de vbi. Hierna ga ik in op de vraag of het overbrengen van box 3 vermogen nog wel interessant is?

Vermogen moet box 3 langer dan 18 maanden verlaten

Het vermogen dat in de vbi wordt ingebracht en zo box 3 verlaat, moet minimaal 18 maanden in de vbi blijven. Wordt het vermogen eerder teruggehaald, dan zal het zowel in box 2 als in box 3 in de belastingheffing worden betrokken. In de wet is nog een tegenbewijsregeling opgenomen, als aannemelijjk gemaakt kan worden dat het zakelijk is om het vermogen weer uit de vbi terug te halen, dan geldt dat er geen dubbele heffing zal plaatsvinden. De belastingplichtige moet zelf de Belastingdienst informeren als deze binnen een termijn van 18 maanden zijn vermogen heeft teruggehaald uit box 2.

Hoger forfaitair rendement in box 2

Om het overbrengen van vermogen van box 3 naar box 2 te ontmoedigen was eerder al bepaald dat het forfaitaire rendement verhoogd zou worden. Als vermogen ingebracht wordt in een vbi krijgt de aandeelhouder in box 2 ook te maken met een forfaitaire rendementsheffing. Tot en met 2016 werd uitgegaan van een forfaitair rendement van 4% (vergelijkbaar met dat van box 3) waarover 25% inkomstenbelasting verschuldigd was. Vanaf 1 januari 2017 wordt het forfaitaire rendement verhoogd naar 5,39%. Met het forfaitaire rendement wordt gerekend op het moment dat er geen of onvoldoende dividend wordt uitgekeerd in een jaar. Het forfaitaire rendement wordt berekend over de intrinsieke waarde van het aandeel in de vbi.

De hiervoor beschreven maatregel is bedoeld om het zogenaamde box hoppen tegen te gaan. Het volgende rekenvoorbeeld laat zien dat het box hoppen interessant blijft.

voorbeeld_besparing_vermogensbelasting_box_3_vanaf_2017

Voorgaande berekening maakt duidelijk dat het box hoppen ook met de voorgestelde maatregel aantrekkelijk blijkt. Bij vermogens boven de € 1 miljoen wordt het nog aantrekkelijker om vermogen in de vbi te brengen. In bovenstaande berekening zijn wij uitgegaan van een rendementsheffing van 1,38% voor vermogens tot € 1 miljoen. Daarboven is de heffing 1,62%. Met box hoppen wordt dan nog meer bespaard.

Overigens is er geen rekening gehouden met de kosten van het oprichten van de VBI.

Door in 2016 nog een deel van uw vermogen over te brengen naar box 2, kunt u een fors bedrag aan vermogensbelasting besparen in 2017.

Als u meer wilt weten over het overbrengen van box 3 vermogen naar box 2 raden wij aan onze memoranda:

minder belasting betalen over uw box 3 vermogen

memorandum oprichten vbi

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Hoe kunt u in 2017 minder vermogensbelasting betalen over uw box 3 vermogen?

Volledig bericht lezen: Hoe kunt u in 2017 minder vermogensbelasting betalen over uw box 3 vermogen?

Vanaf 1 januari 2017 gaat de box 3 vermogensrendementsheffing over vermogens groter dan € 125.000 fors omhoog. De belastingdruk wordt verhoogd van 1,2% naar 1,41%. Een verhoging van 17,5%. Als de omvang van het vermogen € 1.000.000 overschrijdt, is op dat deel de belastingdruk zelfs 1,65%. Het heffingsvrije vermogen wordt verhoogd naar € 25.000. Een verhoging van 37,5%.

 

Als u een fiscale partner heeft kan het lonen om gezamenlijk aangifte inkomstenbelasting te doen en het vermogen zoveel mogelijk te verdelen om bij beiden gebruik te maken van de schijven met de lage belastingdruk. Over het vermogen tussen de € 25.000 en de € 100.000 is 0,87% vermogensrendementsheffing verschuldigd, wat een verlaging betreft ten opzichte van de 1,2% die nu verschuldigd is.

Als uw vermogen de € 125.000 overschrijdt en voor iemand met een fiscale partners hoger is dan € 250.000, kan het aantrekkelijk zijn om een deel van het vermogen over te brengen naar box 2. Zie ook de rekensom van een echtpaar met een vermogen van € 1.000.000:

Voorbeeld

voorbeeld_besparing_vermogensbelasting_box_3

Omdat de peildatum voor de vermogensrendementsheffing 1 januari 2017 is, is het van belang om het vermogen uiterlijk op 31 december 2016 naar box 2 over te brengen. Dat kan op verschillende manieren: door oprichting van een besloten vennootschap, naamloze vennootschap of open fonds voor gemene rekening. Het inbrengen van het kapitaal moet dan wel gebeuren ten titel van kapitaalstorting. Voor de oprichting van een besloten vennootschap en een naamloze vennootschap is een gang naar de notaris nodig. Voor het oprichten van een open fonds voor gemene rekening is de hulp van een notaris niet nodig. Een open fonds voor gemene rekening moet over minimaal twee participanten beschikken. Daarnaast heeft deze rechtsvorm ook het voordeel dat er geen verplichting bestaat om jaarcijfers te deponeren in de kamer van koophandel. Dat betekent dat de buitenwereld niet kan nagaan hoeveel vermogen de oprichters bezitten en daarnaast scheelt dat in de administratieve lasten.

Door in 2016 nog een deel van uw vermogen over te brengen naar box 2, kunt u een fors bedrag aan vermogensbelasting besparen in 2017.

 

Wilt u meer weten? Lees dan ons memorandum minder belasting betalen over uw box 3 vermogen

 

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Bezwaar maken tegen de box 3-heffing na uitspraak Hoge Raad nog steeds zinvol

Vrijdag 10 juni is de uitspraak van de Hoge Raad (HR) gepubliceerd waar door velen reikhalzend naar was uitgekeken. Advocaat-Generaal Niessen had eerder al de HR geadviseerd om het beroep gegrond te verklaren. Helaas heeft de HR dat advies niet gevolgd. De HR heeft beslist dat de forfaitaire rendementsheffing/box 3 heffing (per 1 januari 2001 vervanger van de vermogensbelasting) niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVM.

Wat betekent deze uitspraak nu voor de praktijk? Betekent dit nu dat het de overheid vrijstaat om de hoogte van het forfaitaire rendement naar believen aan te passen en daarmee de opbrengst uit de rendementsheffing te verhogen?

Is er ruimte voor de HR om voor de jaren na 2012 de box 3 heffing wel onverbindend te verklaren?

De uitspraak van de HR laat een opening voor belastingplichtigen om de rendementsheffing voor de jaren na de jaren 2011 kritisch te blijven bekijken.

De HR zegt het volgende over de hoogte van het forfaitaire rendement:

Van het forfaitaire stelsel van box 3 kan, ….. , niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 EP. Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie HR 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174). Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen.

De rendementen op beleggingen waarbij het risico beperkt is, zijn (fors) gedaald voor de jaren na 2010 en 2011. Dat waren de jaren waarover is geprocedeerd bij de HR. Aangenomen mag worden dat de nu te behalen rendementen voor langere tijd aanzienlijk lager zullen liggen. Dat kan betekenen dat de wetgever het percentage van het forfaitaire rendement wel naar beneden toe moet bijstellen voor latere jaren. Daarnaast is het maar de vraag of de per 1 januari 2017 aangekondigde verhoging van de rendementsheffing nog houdbaar is gezien de uitspraken van de HR.

Er lopen nog steeds procedures rondom de box 3-heffing van latere jaren. De Bond voor Belastingbetalers heeft een procedure lopen. Dus voor latere jaren kan de HR tot een andere beslissing komen en besluiten dat de box 3 heffing onevenwichtig is.

Box 3 bezwaar is massaal bezwaarprocedure, individueel bezwaar aantekenen kan belangrijk zijn

Nu zijn de al ingediende bezwaarschriften tegen de box 3 heffing aangemerkt als zogenaamde massaal bezwaarprocedure. Dat betekent dat er tegen aanslagen opgelegd na 26 juni 2015 dan wel die op die datum nog niet onherroepelijk waren, geen bezwaar meer hoeft te worden aangetekend. Die aanslagen worden ambtshalve verminderd door de Belastingdienst, op het moment dat er een voor de belastingplichtige positieve uitspraak van de Hoge Raad komt. Hierbij is het wel van belang dat de Belastingdienst bij het eventueel verminderen van de aanslag geen rekening zal houden met de persoonlijke situatie van de belastingplichtige of met eventueel andere door de belastingplichtige in te nemen standpunten ten aanzien van de box 3 heffing.

Daarom kan het toch van belang zijn om zekerheidshalve bezwaar aan te tekenen en aan de Belastingdienst te vragen om dat bezwaarschrift aan te houden totdat er een uitspraak is gedaan betreffende de box 3 bezwaarprocedure door de Hoge Raad. Het is dan mogelijk om in het bezwaarschrift ook in te gaan op bepaalde in box 3 gehouden beleggingen, die een laag rendement opleveren. Denk bijvoorbeeld aan verhuurde woningen, die op grond van een aantal ficties gewaardeerd moeten worden. Daarvan heeft de Hoge Raad al aangegeven dat in sommige gevallen er van een lagere waardering uitgegaan mag worden, dan op basis van de ficties in de aangifte moet worden aangegeven. Uiteindelijk is er dan minder inkomstenbelasting verschuldigd in box 3.

In het kader van de massaal bezwaarprocedure heeft de Belastingdienst in overleg met de Bond voor Belastingbetalers en een aantal belastingadviseurs een aantal zaken geselecteerd. Deze zaken worden uitgeprocedeerd. Dat betekent dat de andere belastingplichtigen afhankelijk zijn van de kwaliteit van de gedingstukken en de procesvoering in de geselecteerde zaken. Wilt u daarvan niet afhankelijk zijn, dan kunt besluiten tot het indienen van een bezwaarschrift tegen de eigen aanslag om zo uw rechten veilig te stellen.

Uiteindelijk kan er door de Hoge Raad besloten worden dat de forfaitaire rendementsheffing geen strijd oplevert met artikel 1 EVRM, maar dat er wel sprake is van een individuele en buitensporige last. Dat laatste komt in de massaal bezwaarprocedure niet aan bod, ook dat kan een reden zijn om toch individueel een bezwaarschrift in te dienen.

Wij hebben een bezwaarschrift ontwikkeld tegen de box 3 heffing, zie ook de volgende pagina.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen