Berichten over onderwerp: stichting

Belasting blog


Geregeld verschijnt er een belastingadvies blog over een actueel fiscaal onderwerp. Dit blog is bedoeld om u te informeren over voor u interessante ontwikkelingen op het gebied van belastingen. Het kan gaan om nieuwe jurisprudentie of hoe een nieuwe regeling in de praktijk uitwerkt.

Als u na het lezen van een blog vragen heeft, schroom niet om die te stellen!

Gepubliceerd op door

Wanneer is een stichting vennootschapsbelastingplichtig?

Volledig bericht lezen: Wanneer is een stichting vennootschapsbelastingplichtig?

Bestuurders van stichtingen nemen vaak het standpunt in dat de stichting niet vennootschapsbelastingplichtig is, omdat ze van mening zijn dat de stichting niet naar winst streeft. Geregeld blijkt dat standpunt niet juist te zijn. Vragen van de Belastingdienst zijn vaak de aanleiding om te onderzoeken of een stichting vennootschapsbelastingplichtig is. Men komt dan tot de ontdekking dat er in het verleden te weinig aandacht is geweest voor de eventuele belastingplicht van de stichting. En kan enkel meegaan in het door de Belastingdienst ingenomen standpunt. Hierna wordt ingegaan op wanneer een stichting belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (winstbelasting). Vervolgens worden de aandachtspunten behandeld waarop gelet moet worden in relatie tot de vennootschapsbelastingplicht. Tot slot geven wij handvatten om buiten de vennootschapsbelastingheffing te blijven.

Een stichting is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting voor zover er een onderneming wordt gedreven. Er is sprake van het drijven van een onderneming als aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:

  1. Er is sprake van een organisatie van arbeid en kapitaal
  2. Er wordt deelgenomen aan het economische verkeer
  3. Er is sprake van een winst treden.

Aan de eerste twee voorwaarden is meestal voldaan. In discussies met de Belastingdienst gaat het veelal om de vraag of aan de derde voorwaarde is voldaan: het winststreven. In de meeste gevallen is aan de eerste twee voorwaarden voldaan.

Winststreven

Veel bestuurders nemen het standpunt in dat de stichting geen winststreven heeft omdat er niet beoogd wordt om winst te maken. Vaak wordt de winst gereserveerd in een bestedingsreserve. Bijvoorbeeld een bepaald bedrag om de personeelskosten nog gedurende een bepaalde periode door te kunnen betalen. Het toevoegen van resultaten aan een bestedingsreserve kan een indicatie zijn voor de Belastingdienst dat aan het winststreven wordt voldaan. De rechter heeft al eens bepaald dat er naar de feitelijke situatie gekeken moet worden. Uiteindelijk zal als er jaarlijks een positief resultaat behaald wordt er sprake zijn van een winststreven. Daarnaast moet beoordeeld worden of de gevormde reserve een fiscaal toelaatbare reserve is, als dat niet het geval is, is voor fiscale doeleinden sprake van winst maken.

Wel of niet met het gehele vermogen een onderneming drijven

Als er sprake is van het drijven van een onderneming, kan dat met het gehele vermogen van de stichting dan wel met een deel van het vermogen. Voor zover er sprake is van beleggen, maken de beleggingsresultaten meestal geen deel uit van het fiscale resultaat. Dat kan anders zijn op het moment dat er winsten uit de onderneming tijdelijk herbelegd worden. Om te beoordelen of eventueel een deel van de winst buiten de belastingheffing blijft, is de redactie van de statuten van de stichting van belang.

Fictiebepaling vennootschapsbelastingplicht

Ook als niet voldaan is aan het winststreven, kan er toch vennootschapsbelasting verschuldigd zijn als er in een jaar winst wordt gemaakt. In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) is een fictiebepaling opgenomen. Als de activiteiten van de stichting uiterlijk overeenkomen met een door een natuurlijk persoon of een besloten vennootschap gedreven onderneming, is er ook sprake van vennootschapsbelastingplicht. Alleen in de jaren dat er voldoende winst wordt gemaakt, zal deze fictiebepaling belastingheffing tot gevolg hebben.

Beperkte exploitatie-overschotten

Als de winst van de stichting in een jaar niet hoger is dan € 15.000, dan wel in het jaar zelf en de daaraan voorafgaande vier jaar in totaliteit niet meer dan € 75.000 winst wordt gemaakt, is de stichting vrijgesteld op grond van de Wet Vpb. Dus een stichting met een jaarlijks gering exploitatie-overschot hoeft geen vennootschapsbelasting te betalen. De vrijstelling op grond van de wet is een aandachtspunt. Verliezen worden niet bij beschikking vastgesteld, als er niet tijdig voor vennootschapsbelastingplicht is geopteerd. Dat kan betekenen dat er gedurende een aantal jaren verliezen opkomen, deze niet voor verrekening met toekomstige winsten in aanmerking komen. Als er in de toekomst een forse winst wordt behaald, die de eerdere verliezen goedmaakt, kan daarover vennootschapsbelasting verschuldigd zijn. Door de eerdere verliezen vast te laten stellen, kunnen deze met toekomstige winsten verrekend worden. Lees meer hierover in een eerder blog.

Subsidie

Veel stichtingen ontvangen subsidies van de overheid om bepaalde taken uit te voeren. Op basis van de subsidievoorwaarden zal beoordeeld moeten worden of de ontvangen subsidie meetelt om het fiscale resultaat te bepalen. In een besluit uit 2005 heeft de Staatssecretaris van Financiën bekend gemaakt wanneer een subsidie meetelt om het fiscale resultaat te bepalen en wanneer de subsidie niet meetelt.

Als de subsidies deel uitmaken van het fiscaal belastbare resultaat, kunt u overwegen om afspraken te maken met subsidieverstrekkers. Zo kan vennootschapsbelastingplicht worden voorkomen, op het moment dat er in een jaar teveel winst wordt gemaakt. Afgesproken kan worden dat een deel van de subsidies worden terugbetaald. Met de financiers van de stichting kan eenzelfde afspraak worden gemaakt. Dat hun financiële bijdrage wordt verminderd tot een bedrag dat de stichting binnen de hiervoor genoemde grenzen blijft om vennootschapsbelastingplicht te voorkomen.

Vraag tijdig om uitreiking van een aangiftebiljet als er vennootschapsbelasting verschuldigd is

Zodra een stichting vennootschapsbelastingplichtig is, is het de verantwoordelijkheid van de bestuurders om aan de aangifteverplichtingen te voldoen. Dat betekent dat de bestuurder tijdig moet verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet vennootschapsbelasting. Gebeurt dat niet, dan kan de Belastingdienst een boete opleggen. Daarnaast zal er 8% belastingrente verschuldigd zijn als de verschuldigde vennootschapsbelasting niet tijd is betaald. Lees meer hierover in een eerder blog

In 2019 is over de winst tot € 200.000 19% vennootschapsbelasting verschuldigd, over hogere winst is 25% verschuldigd. De komende jaren dalen de vennootschapsbelastingtarieven.

Wat zijn belangrijke aandachtspunten voor bestuurders?

  1. Inventariseer of de stichting vennootschapsbelastingplichtig is. Laat een notitie opstellen waarin onderbouwd wordt als er geen sprake is van vennootschapsbelastingplicht en bewaar deze in de administratie.
  2. Monitor jaarlijks of activiteiten en/of inkomensstromen wijzigen, waardoor de notitie mogelijk moet worden bijgewerkt.
  3. Maak afspraken met subsidieverstrekkers over terugbetaling van (een deel van) de subsidie op het moment dat de stichting dreigt vennootschapsbelastingplichtig te worden.
  4. Vraag tijdig om uitreiking om een aangiftebiljet als er vennootschapsbelasting verschuldigd is.

Tot slot zijn de omzet- en loonbelasting ook aandachtspunten. De eventuele verschuldigdheid van omzetbelasting over ontvangen subsidies. Het wel of niet moeten inhouden en afdragen van loonheffingen over betalingen aan vrijwilligers en bestuursleden. Geregeld vindt er ten onrechte geen inhouding en afdracht van loonheffingen plaats.

Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met mr. Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Risico's voor bestuurder stichting of vereniging als vpb-plicht niet is onderkend?

Volledig bericht lezen: Risico's voor bestuurder stichting of vereniging als vpb-plicht niet is onderkend?

Als een vereniging of stichting een onderneming drijft, is zij vennootschapsbelastingplichtig en moet dan jaarlijks aangifte vennootschapsbelasting doen. Als er winst wordt gemaakt, is er vennootschapsbelasting verschuldigd. Welke risico's loopt een bestuurder van een vereniging of stichting op het moment dat de vennootschapsbelastingplicht niet (tijdig) wordt onderkend?

De Belastingdienst heeft maximaal vijf jaar de tijd om (navorderings)aanslagen vennootschapsbelasting op te leggen als er ten onrechte een onjuiste of geen aangifte vennootschapsbelasting wordt gedaan. Dat betekent dat de Belastingdienst ruim de tijd heeft om een eventueel vennootschapsbelastingplichtige stichting of vereniging op het spoor te komen, op het moment dat er niet tijdig is verzocht om uitreiking van een aangiftebiljet vennootschapsbelasting.

Binnen 6 maanden en twee weken verzoeken om uitreiking van aangiftebiljet

Als er sprake is van het drijven van een onderneming, moet de vereniging of stichting binnen zes maanden en veertien dagen na afloop van het winstjaar zelf verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet vennootschapsbelasting op basis van art. 6 AWR en art. 2 Uitv.reg. AWR. Als dat niet tijdig gebeurt, kan de Belastingdienst een verzuimboete opleggen.

Ook kan de Belastingdienst verzuim en/of vergrijpboetes opleggen voor het (opzettelijk) geen aangifte doen. Eventueel kan de Belastingdienst ook kiezen om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan. De bestuursleden lopen een risico om strafrechtelijk vervolgd te worden als niet (tijdig) aan de fiscale verplichtingen is voldaan.

Als het resultaat van de stichting of vereniging beneden de € 15.000 uitkomt, hoeft er geen aangifte vennootschapsbelasting gedaan te worden. Dat betekent dat er ook niet verzocht hoeft te worden om uitreiking van een aangiftebiljet vennootschapsbelasting.

Geen aangifte betekent geen verliesbeschikking

De stichting of vereniging loopt ook risico’s dat bij de verliesjaren het verlies uiteindelijk niet bij beschikking wordt vastgesteld, als niet verzocht is om het uitreiken van aangiftebiljetten vennootschapsbelasting. Wil men de verliezen bij beschikking laten vaststellen, dan moet er aangifte vennootschapsbelasting worden gedaan en moet geopteerd worden voor vennootschapsbelastingplicht. Dat laatste moet gebeuren uiterlijk voor het opleggen van de definitieve aanslag vennootschapsbelasting. Als de Belastingdienst op een later moment navorderingsaanslagen oplegt, worden verliezen niet bij beschikking vastgesteld. Dit met als gevolg dat die verliezen niet voor verrekening in aanmerking komen. Dat betekent dat er teveel vennootschapsbelasting wordt betaald.

De Belastingdienst zal 8% belastingrente berekenen over de verschuldigde vennootschapsbelasting. Ook een reden om tijdig aangifte vennootschapsbelasting te doen.

Doe aan risicobeperking zorg voor een fiscale opinie in de administratie

Als een bestuurder van mening is dat er geen sprake is van vennootschapsbelastingplicht, verdient het de voorkeur om een notitie te hebben in de administratie, waarin is uiteengezet waarom er geen sprake is van vennootschapsbelastingplicht. Bij een latere belastingcontrole kunnen de bestuurders van de vereniging of stichting daarmee laten zien dat ze niet opzettelijk hebben afgezien van het laten uitreiken van een aangiftebiljet. Daarmee wordt het risico op boetes bij het opleggen van aanslagen fors beperkt. Waar de vereniging of stichting nog wel een risico blijft lopen is de forse belastingrenteclaim met een rentepercentage van 8%. Willen de bestuursleden hier geen risico lopen, dan is vooroverleg met de Belastingdienst de enige mogelijkheid. Vraag de Belastingdienst te bevestigen dat er inderdaad geen sprake is van vennootschapsbelastingplicht.

Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met mr. Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Rechter geeft uitleg aan toepassing vpb-vrijstelling voor vereniging en stichting

Volledig bericht lezen: Rechter geeft uitleg aan toepassing vpb-vrijstelling voor vereniging en stichting

Met een beroep op de subjectieve belastingvrijstelling hoeven stichtingen en verenigingen, die een onderneming drijven en vennootschapsbelastingplichtig zijn, geen vennootschapsbelasting te betalen. In artikel 6 Wet Vpb 1969 zijn winstgrenzen genoemd. De eerste winstgrens: niet meer dan € 15.000 winst in een jaar en de tweede winstgrens: niet meer dan € 75.000 winst in het betreffende jaar en de vier daaraan voorafgaande jaren gezamenlijk. Het wel of niet overschrijden van de winstgrenzen kan een grote financiële impact hebben op kleine stichtingen en verenigingen. Als de hiervoor genoemde grenzen van de winst niet worden overschreden, is de vereniging of stichting op grond van de wet vrijgesteld van vennootschapsbelastingheffing. Bij verenigingen en stichtingen die minder dan vijf jaar bestaan, was het onduidelijk hoe de regel van niet meer dan € 75.000 winst in een periode van vijf jaar toe te passen.

Op 19 september 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën een besluit gepubliceerd, waarin de werking van artikel 6 Wet Vpb 1969 nader is toegelicht. De Staatssecretaris heeft toegelicht hoe de tweede winstgrens volgens hem moet worden toegepast, als de vereniging of stichting nog geen vijf jaar bestaat. De belastingrechter heeft in een uitspraak meer duidelijkheid geschept over de toepassing van de subjectieve belastingvrijstelling van artikel 6 Wet Vpb 1969. De rechter geeft een andere uitleg aan de toepassing van de regeling dan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris schrijft pro rata toepassing tweede winstgrens voor

In het beleidsbesluit schrijft de Staatssecretaris voor dat de tweede winstgrens pro rata moet worden toegepast. Dat betekent dat in de eerste drie jaar, de totale winst niet meer mag bedragen van € 45.000 (3/5 van € 75.000). Wordt die drempel in een jaar overschreden, dan kan er voor dat jaar geen beroep gedaan worden op de vrijstelling van de tweede winstgrens.

In de procedure voor de rechtbank stonden de hoogte van de winsten van de vereniging in de jaren 2010 tot en met 2012 niet ter discussie. De voor het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag met een belastbare winst van € 35.121 stond ter discussie. Voor de jaren 2010 en 2011 bedroegen de belastbare winsten € 9.884 en € 28.433. In drie jaar tijd heeft de vereniging in totaal € 69.731 aan winst gemaakt. De beroepsvereniging voor Nederlandse Stylisten is opgericht in 2009.

Geen pro rata toepassing tweede winstgrens volgens de rechter

Omdat de vereniging pas drie jaar bestaat heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat het winstplafond van € 75.000 herrekend moet worden naar het aantal jaren dat de vereniging bestaat. Conform het standpunt in het beleidsbesluit. Volgens de rechtbank geven zowel de tekst van de wet als de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten om de tweede winstgrens van artikel 6, eerste lid, Wet Vpb naar rato toe te passen. De rechter ziet het toepassen van de winstgrens van € 75.000 als een absolute grens, ook als de vereniging nog geen vijf jaar bestaat. Het past ook in de doel en strekking van de wet om deze uitleg te geven aan dit wetsartikel. Het is namelijk niet de bedoeling om verenigingen en stichtingen van bijkomstige betekenis in de belastingheffing te betrekken. Daarnaast wordt ook het risico van concurrentieverstoring gezien op het moment dat het toepassen van de pro rata winstgrens in het derde jaar wordt overschreden, maar er in het vierde jaar weer onder wordt gebleven.

Deze uitspraak is een welkome aanvulling voor de praktijk. Hoe om te gaan met de tweede winstgrens bij de toepassing van de vrijstelling vennootschapsbelasting, als sprake is van een nieuw opgerichte vereniging of stichting die nog geen vijf jaar bestaat? De uitspraak van de rechter roept de volgende vraag op: wat gebeurt er als de totale winst in jaar vier of vijf boven de € 75.000 uitkomt, moet er dan over de eerdere jaren vennootschapsbelasting betaald worden?

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Subjectieve vrijstelling vpb voor vereniging of stichting

Volledig bericht lezen: Subjectieve vrijstelling vpb voor vereniging of stichting
Vennootschapsbelastingplicht vereniging of stichting
Als een vereniging of stichting een onderneming drijft, is deze vennootschapsbelastingplichtig. Dat betekent dat alle bepalingen van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing zijn. In artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is een vrijstelling voor de vennootschapsbelasting geregeld. Als een vereniging of stichting in een jaar minder dan € 15.000 winst behaalt of in dat jaar en de daaraan voorafgaande vier jaar in totaal maximaal € 75.000 winst behaalt, is er een vrijstelling vennootschapsbelasting van toepassing. Voor de rekensom van de totale winst over een periode van vijf jaar tellen verliesjaren voor nul mee. Op 11 oktober heeft de Staatssecretaris van Financiën een beleidsbesluit gepubliceerd over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor verenigingen en stichtingen in artikel 6 van de Wet op de  vennootschapsbelasting 1969. Hierna ga ik verder in op de belangrijkste onderdelen van dit beleidsbesluit.
 
Wanneer opteren voor vennootschapsbelastingplicht?
In het beleidsbesluit zijn een aantal voor de praktijk interessante standpunten bekend gemaakt. Als een vereniging of stichting in een jaar voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 Wet Vpb 1969, is die vereniging of stichting vrijgesteld van vennootschapsbelastingheffing. Het verlies wordt dan niet bij beschikking vastgesteld. Op dat moment gaat de stichting of vereniging van de belaste naar de onbelaste sfeer over. In het beleidsbesluit is opgenomen dat de er eindafrekeningswinst in de aangifte vennootschapsbelasting moet worden verantwoord in het aan het verliesjaar voorafgaande jaar. Wil men dit voorkomen, dan schrijft het beleidsbesluit voor dat er uiterlijk tot aan het moment waarop de definitieve aanslag vennootschapsbelasting wordt opgelegd geopteerd kan worden voor vennootschapsbelastingplicht. De vraag is wat deze voorwaarde nu voor de praktijk betekent. Als voldaan wordt aan de voorwaarden dat er een belastingvrijstelling van toepassing is, wordt er voor dat jaar geen definitieve aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Dat zou betekenen dat men onbeperkt de tijd heeft om te opteren voor vennootschapsbelastingplicht. Vermoedelijk zal hier bedoeld zijn tot het moment waarop de inspecteur bericht dat er geen aanslag vennootschapsbelasting zal worden opgelegd. Om discussies met de Belastingdienst te voorkomen, geniet tijdig opteren voor vennootschapsbelastingplicht de voorkeur.
 
Wat gebeurt er met aanwezige verrekenbare verliezen als de vpb-vrijstelling van toepassing is?
Verliezen die ontstaan zijn in de periode dat de subjectieve vrijstelling van artikel 6 Wet Vpb 1969 niet van toepassing was, zijn na een periode waarin de stichting of vereniging vrijgesteld was van vennootschapsbelastingheffing te verrekenen, als er weer sprake is van vennootschapsbelastingplicht. Een of meerdere jaren waarin de vennootschapsbelastingvrijstelling van toepassing is, leiden er niet toe dat de verrekenbare verliezen verdampen. Dit neemt niet weg dat de verliezen wel verdampen als zij niet binnen de wettelijke termijn van 9 jaar (dit wordt in de toekomst 6 jaar) verrekend zijn.
 
Hoe de vrijstellingsbepaling toe te passen bij nieuw opgerichte vereniging of stichting
In het beleidsbesluit wordt ook ingegaan hoe de bepaling uitwerkt op het moment dat er vereniging of stichting nog geen vijf jaar bestaat. In dat geval moet de regeling pro rata van de bestaansperiode worden toegepast. Zie ook het volgende rekenvoorbeeld.
 
Een stichting drijft sinds twee jaren een onderneming. In jaar 1 behaalt de stichting een winst van
€ 16.000. In jaar 2 bedraagt de winst € 27.000. De stichting is in jaar 1 niet vrijgesteld, omdat de winst
in dat jaar meer bedraagt dan € 15.000. De vrijstelling is evenmin van toepassing in jaar 2, omdat de
winst van dat jaar meer bedraagt dan € 15.000 en samen met de winst van jaar 1 meer bedraagt dan
€ 30.000 (zijnde 2/5 van 75.000).
 
Dit beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën zorgt op onderdelen voor een verduidelijking waar de praktijk haar voordeel mee kan doen. Vooral in de situatie van een net bestaande vereniging of stichting is het prettig om te lezen hoe de totale winst in een periode van vijf jaar moet worden toegerekend aan de verschillende jaren.
 
Wilt u meer weten over de vennootschapsbelastingplicht voor stichtingen en verenigingen? Bel mij op 030 687 0 383
 
mr. Ewoud de Ruiter
Volledig bericht lezen