Berichten over onderwerp: vpb

Belasting blog


Geregeld verschijnt er een belastingadvies blog over een actueel fiscaal onderwerp. Dit blog is bedoeld om u te informeren over voor u interessante ontwikkelingen op het gebied van belastingen. Het kan gaan om nieuwe jurisprudentie of hoe een nieuwe regeling in de praktijk uitwerkt.

Als u na het lezen van een blog vragen heeft, schroom niet om die te stellen!

Gepubliceerd op door

Nadere uitleg over toepassing zorgvrijstelling vennootschapsbelasting

Volledig bericht lezen: Nadere uitleg over toepassing zorgvrijstelling vennootschapsbelasting

Op 21 december 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën een beleidsbesluit gepresenteerd met daarin een uitleg over de toepassing van de zorgvrijstelling vennootschapsbelasting.

Voorwaarden toepassen zorgvrijstelling vpb

Om de zorgvrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten eerste Wet Vpb 1969 te mogen toepassen, is het van belang dat er uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zorgwerkzaamheden worden verricht. Het komt er op neer dat voor ten minste 90% kwalificerende zorgwerkzaamheden als bedoeld in de zorgvrijstelling worden verricht (‘werkzaamhedeneis’).

Als het zorgverlenende lichaam geen publiekrechtelijk lichaam is, geldt er een tweede voorwaarde om de zorgvrijstelling te kunnen toepassen. De behaalde winst mag alleen worden aangewend ten behoeve van een op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c Wet Vpb vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang (winstbestemmingseis). De winst moet voor zorgactiviteiten worden aangewend of ten behoeve van het maatschappelijke belang.

Bij een stichting moet er sprake zijn van vennootschapsbelastingplicht, wil er aan de toepassing van de zorgvrijstelling toegekomen worden. De stichting moet een onderneming drijven.

Zorgvrijstelling vpb bij zorg-bv

Als een stichting zorgverlenende activiteiten heeft, zal de toepassing van de zorgvrijstelling tot minder discussie leiden, dan wanneer er sprake is van een zorg-bv. In het laatste geval is het de vraag in hoeverre voldaan kan worden aan de winstbestemmingseis. Uit het besluit blijkt dat een zorg-bv de zorgvrijstelling mag toepassen, als zij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zo moet uit de statuten blijken dat de zorg-bv werkzaamheden verricht als bedoeld in de zorgvrijstelling. Er moet een meervoudig bestuur zijn en een onafhankelijk toezichthoudend orgaan. Aan de aandeelhouder worden ook eisen gesteld, natuurlijke personen kwalificeren niet. Wel lichamen van publiekrechtelijke aard, een ANBI of een stichting die aan bepaalde voorwaarden voldoet. De winstbestemmingseis moet in de statuten zijn vastgelegd en een statutenwijziging mag alleen mogelijk zijn na toestemming van het onafhankelijke toezichthoudende orgaan.

Als een lichaam niet voldoet aan de voorwaarden om de zorgvrijstelling toe te passen, maar eerder wel een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met de Belastingdienst over de toepassing van de zorgvrijstelling, wordt er tot 31 december 2020 de tijd gegeven om te voldoen aan de voorwaarden.

Uitspraak rechter over toepassing zorgvrijstelling vpb bij zorg-bv

In een recente uitspraak is de rechter ingegaan op de toepassing van de zorgvrijstelling bij een zorg-bv. Die zorg-bv had een natuurlijk persoon als uiteindelijke aandeelhouder. De zorg-bv voldeed mogelijk aan de hiervoor genoemde voorwaarden door de in statuten op te nemen dat de bv geen winstreserves zal uitkeren, zolang dat op grond van de wet- en regelgeving voor een instelling van medisch specialistische zorg niet is toegestaan. Na het beëindigen van de activiteiten zou de zorg-bv haar statuten kunnen wijzigen en de winstreserves aan de aandeelhouder kunnen uitkeren. Daarom vond de rechtbank dat er niet voldaan was aan de voorwaarden om de zorgvrijstelling toe te passen. Hieruit blijkt dat een goede redactie van de statuten van het zorglichaam van belang is. In het geval van een zorg-bv zal nagegaan moeten worden of wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, eerste lid aanhef en letter c Wet Vpb 1969 jo artikel 4 UB Vpb .

In het beleidsbesluit staat ook dat de winstbestemmingseis zowel voor de jaarwinst als voor het liquidatiesaldo van het lichaam geldt. Dit is in lijn met de hiervoor genoemde uitspraak. Overigens is er beroep aangetekend, het is dus afwachten of een rechter in hogere instantie tot dezelfde conclusie komt.

Het beleidsbesluit is een welkome aanvulling voor de praktijk. Op dit moment is het lastig om de toepassing van de zorgvrijstelling vpb af te stemmen met de Belastingdienst. Met de in dit beleidsbesluit opgenomen toelichting, verwacht ik dat het de afstemming met de Belastingdienst zal vereenvoudigen.

Wilt u meer weten over de toepassing van de zorgvrijstelling vpb, wij helpen u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Rechter geeft uitleg aan toepassing vpb-vrijstelling voor vereniging en stichting

Volledig bericht lezen: Rechter geeft uitleg aan toepassing vpb-vrijstelling voor vereniging en stichting

Met een beroep op de subjectieve belastingvrijstelling hoeven stichtingen en verenigingen, die een onderneming drijven en vennootschapsbelastingplichtig zijn, geen vennootschapsbelasting te betalen. In artikel 6 Wet Vpb 1969 zijn winstgrenzen genoemd. De eerste winstgrens: niet meer dan € 15.000 winst in een jaar en de tweede winstgrens: niet meer dan € 75.000 winst in het betreffende jaar en de vier daaraan voorafgaande jaren gezamenlijk. Het wel of niet overschrijden van de winstgrenzen kan een grote financiële impact hebben op kleine stichtingen en verenigingen. Als de hiervoor genoemde grenzen van de winst niet worden overschreden, is de vereniging of stichting op grond van de wet vrijgesteld van vennootschapsbelastingheffing. Bij verenigingen en stichtingen die minder dan vijf jaar bestaan, was het onduidelijk hoe de regel van niet meer dan € 75.000 winst in een periode van vijf jaar toe te passen.

Op 19 september 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën een besluit gepubliceerd, waarin de werking van artikel 6 Wet Vpb 1969 nader is toegelicht. De Staatssecretaris heeft toegelicht hoe de tweede winstgrens volgens hem moet worden toegepast, als de vereniging of stichting nog geen vijf jaar bestaat. De belastingrechter heeft in een uitspraak meer duidelijkheid geschept over de toepassing van de subjectieve belastingvrijstelling van artikel 6 Wet Vpb 1969. De rechter geeft een andere uitleg aan de toepassing van de regeling dan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris schrijft pro rata toepassing tweede winstgrens voor

In het beleidsbesluit schrijft de Staatssecretaris voor dat de tweede winstgrens pro rata moet worden toegepast. Dat betekent dat in de eerste drie jaar, de totale winst niet meer mag bedragen van € 45.000 (3/5 van € 75.000). Wordt die drempel in een jaar overschreden, dan kan er voor dat jaar geen beroep gedaan worden op de vrijstelling van de tweede winstgrens.

In de procedure voor de rechtbank stonden de hoogte van de winsten van de vereniging in de jaren 2010 tot en met 2012 niet ter discussie. De voor het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag met een belastbare winst van € 35.121 stond ter discussie. Voor de jaren 2010 en 2011 bedroegen de belastbare winsten € 9.884 en € 28.433. In drie jaar tijd heeft de vereniging in totaal € 69.731 aan winst gemaakt. De beroepsvereniging voor Nederlandse Stylisten is opgericht in 2009.

Geen pro rata toepassing tweede winstgrens volgens de rechter

Omdat de vereniging pas drie jaar bestaat heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat het winstplafond van € 75.000 herrekend moet worden naar het aantal jaren dat de vereniging bestaat. Conform het standpunt in het beleidsbesluit. Volgens de rechtbank geven zowel de tekst van de wet als de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten om de tweede winstgrens van artikel 6, eerste lid, Wet Vpb naar rato toe te passen. De rechter ziet het toepassen van de winstgrens van € 75.000 als een absolute grens, ook als de vereniging nog geen vijf jaar bestaat. Het past ook in de doel en strekking van de wet om deze uitleg te geven aan dit wetsartikel. Het is namelijk niet de bedoeling om verenigingen en stichtingen van bijkomstige betekenis in de belastingheffing te betrekken. Daarnaast wordt ook het risico van concurrentieverstoring gezien op het moment dat het toepassen van de pro rata winstgrens in het derde jaar wordt overschreden, maar er in het vierde jaar weer onder wordt gebleven.

Deze uitspraak is een welkome aanvulling voor de praktijk. Hoe om te gaan met de tweede winstgrens bij de toepassing van de vrijstelling vennootschapsbelasting, als sprake is van een nieuw opgerichte vereniging of stichting die nog geen vijf jaar bestaat? De uitspraak van de rechter roept de volgende vraag op: wat gebeurt er als de totale winst in jaar vier of vijf boven de € 75.000 uitkomt, moet er dan over de eerdere jaren vennootschapsbelasting betaald worden?

Volledig bericht lezen