Berichten over onderwerp: wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties

Belasting blog


Geregeld verschijnt er een belastingadvies blog over een actueel fiscaal onderwerp. Dit blog is bedoeld om u te informeren over voor u interessante ontwikkelingen op het gebied van belastingen. Het kan gaan om nieuwe jurisprudentie of hoe een nieuwe regeling in de praktijk uitwerkt.

Als u na het lezen van een blog vragen heeft, schroom niet om die te stellen!

Gepubliceerd op door

Wet DBA en de btw: wat betekent een achteraf geconstateerde dienstbetrekking voor de btw?

Op het moment dat de Belastingdienst achteraf met succes het standpunt inneemt dat er geen overeenkomst was aangegaan met een zelfstandig ondernemer, maar er feitelijk sprake was van een loondienstbetrekking heeft dat een aantal gevolgen voor zowel opdrachtgever als opdrachtnemer. Hierna gaan we verder in op de btw-aspecten.

Zelfstandig ondernemersbegrip binnen de btw

Het ondernemersbegrip voor de btw is een zelfstandig ondernemersbegrip. Los van de beoordeling voor de inkomstenbelasting, zal ook voor de btw beoordeeld moeten worden of er sprake is van ondernemerschap. Een btw-ondernemer is iemand die zelfstandig leveringen en diensten verricht.

Op het moment dat er sprake is van een loondienstbetrekking, is het uitgangspunt dat er geen btw verschuldigd is   over wat als loon is uitbetaald. Dat betekent dan dat er ten onrechte btw in rekening is gebracht. Opdrachtgever zal deze btw niet in aftrek kunnen brengen, dat betekent dat er correctieaangiften gedaan moeten worden waarbij de ten onrechte afgetrokken btw aan de Belastingdienst moet worden terugbetaald.

Ook al hoefde opdrachtnemer geen btw te berekenen over wat nu als arbeidsbeloning kwalificeert, wil dat niet zomaar zeggen dat de ten onrechte afgedragen btw terug gevraagd kan worden. Daarvoor zal opdrachtnemer creditnota's aan opdrachtgever moeten uitreiken, daarna ontstaat er pas recht op een teruggave van btw. Daarbij is het mogelijk dat de Belastingdienst aanvullende voorwaarden zal stellen voordat zij overgaat tot terugbetaling van de eerder ten onrechte in rekening gebrachte btw. Een voorwaarde die gesteld kan worden is dat opdrachtnemer de terug ontvangen btw moet terugbetalen aan opdrachtgever. De Belastingdienst wil voorkomen dat het aftrekrecht bij opdrachtgever in stand blijft, terwijl de ten onrechte gefactureerde btw aan opdrachtnemer wordt terugbetaald.

Fictieve dienstbetrekking hoeft btw-ondernemerschap niet uit te sluiten

In de Wet op de loonbelasting is naast de dienstbetrekking ook nog de fictieve dienstbetrekking opgenomen. Als er sprake is van een fictieve dienstbetrekking, wil dat niet op voorhand zeggen dat er dan geen sprake is van btw-plicht. Een mooi voorbeeld van een (inmiddels afgeschafte) fictieve dienstbetrekking waarbij er ook sprake is van btw-plicht is de commissaris. Voor de loonbelasting was er sprake van inhoudingsplicht betreffende betalingen aan commissaris, daarnaast werden de commissarissen als ondernemer voor de btw gezien. Zij moesten dus btw afdragen over de door hen ontvangen vergoeding. Met de invoering van de Wet DBA is de fictieve dienstbetrekking voor de commissaris afgeschaft. Als op een later moment een fictieve dienstbetrekking wordt geconstateerd zal nagegaan moeten worden wat dat betekent voor de eerder berekende btw.

Bij de behandeling van het de niet aangenomen Wet beschikking geen loonheffingen (wetsvoorstel voorafgaand aan de Wet DBA) is de hiervoor beschreven problematiek ook aan de orde gekomen. De naar later blijkt ten onrechte berekende btw kan in de praktijk op twee manieren worden behandeld:

  • De btw-aftrek bij de werkgever blijft in stand. De werknemer die ten onrechte btw heeft berekend krijgt die btw niet terug van de Belastingdienst, omdat hij de verstuurde factuur niet crediteert voor het btw-bedrag dat ten onrechte is berekend.
  • De btw-aftrek bij de werkgever blijft niet in stand. De werknemer crediteert de factuur voor het ten onrechte berekende btw-bedrag en betaalt dit bedrag terug aan de werkgever. De werknemer krijgt ditzelfde bedrag op verzoek terug van de Belastingdienst.

Dat betekent dat men niet verplicht is om facturen te crediteren, dat scheelt ook onzekerheid bij partijen over de uitkomst van de correcties. In sommige gevallen kan opdrachtgever er belang bij hebben om creditnota's te ontvangen. Bijvoorbeeld omdat de btw niet of beperkt aftrekbaar is voor opdrachtgever. In zo een geval is het van belang dat opdrachtgever en opdrachtnemer in overleg treden op welke wijze de btw teruggave te realiseren en daarbij eventueel ook overleg te hebben met de Belastingdienst.

Let op looptijd bezwaar- en beroepsprocedure en terugvragen btw

Naar verwachting zal de uitvoering van de Wet DBA in de praktijk nog de nodige onduidelijkheid geven wat de gevolgen voor de btw zijn. Op het moment dat de Belastingdienst de arbeidsrelatie herkwalificeert tot een loondienstbetrekking is oplettendheid geboden. Opdrachtgever en opdrachtnemer zullen in een vroeg stadium samen moeten overleggen wat te doen. Het eventueel terugvragen van btw is ook aan termijnen gebonden, houdt daar ook rekening mee op het moment dat er in eerste instantie voor gekozen wordt om de beslissing van de Belastingdienst aan te vechten dat sprake is van een loondienstbetrekking.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Hoe uit de dienstbetrekking weg te blijven onder de Wet DBA?

Voor een grote groep zzp-ers zal er met het afschaffen van de var-verklaring niets wijzigen, zij waren zelfstandig ondernemer en zij blijven zelfstandig ondernemer. Hun ondernemerschap is zo overduidelijk dat er geen modelovereenkomst nodig is om hen in te huren. Er is echter ook een groep zzp-ers waarvan minder duidelijk is of zij die de werkzaamheden als ondernemer of als werknemer uitvoeren. Voor deze groep zal ik hierna behandelen wat zij kunnen doen en waar ze op moeten letten om uit de dienstbetrekking te blijven.

Voorwaarden voor aanwezig zijn dienstbetrekking

Wil men buiten de dienstbetrekking blijven, moet niet aan minimaal één van de volgende voorwaarden voldaan zijn:

  1. de verplichting om de arbeid persoonlijk te verrichten;
  2. de aanwezigheid van een gezagsrelatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer;
  3. er wordt loon betaald door opdrachtgever.

Bij vrije vervangbaarheid geen dienstbetrekking

Om uit de dienstbetrekking te blijven lijkt het het eenvoudigst zodanige afspraken te maken met de opdrachtgever dat aan de onder 1 genoemde voorwaarde de verplichting om de arbeid persoonlijk te verrichten niet is voldaan. Daarbij zijn er wel een aantal aandachtspunten. In een eerder beleidsbesluit[1] heeft de Staatssecretaris van Financiën hierover het volgende gezegd:

  • De verplichting om persoonlijk arbeid te verrichten wordt aangenomen indien de opdrachtnemer zich bij de uitvoering van de overeengekomen arbeid niet of alleen met toestemming van de opdrachtgever door een ander mag laten vervangen.
  • De verplichting wordt ook aangenomen indien de opdrachtnemer zich alleen mag laten vervangen door iemand uit een vaste groep van personen, die de opdrachtgever ook zelf inschakelt en die de opdrachtgever uit dien hoofde kent. In dat geval weet de opdrachtgever om wie het gaat, aan welke kwalificaties de vervanger voldoet en geeft hij in feite op voorhand toestemming voor vervanging.
  • Als de werkzaamheden minder eenvoudig zijn, dan zal de opdrachtnemer gekozen zijn op grond van bepaalde specifieke kwaliteiten. Het is dan meer aannemelijk dat de opdrachtnemer verplicht is de arbeid zelf te verrichten.
  • Als de opdrachtnemer feitelijk steeds zelf de arbeid verricht, dan wordt in principe aangenomen dat hij daartoe verplicht is.'

Als partijen schriftelijk overeenkomen dat de arbeid niet persoonlijk verricht hoeft te worden, dat er dus vrije vervanging mogelijk is, zullen partijen daar ook naar moeten handelen. Het is maar de vraag of het voldoende is dat vrije vervanging op papier overeen is gekomen. In het beleidsbesluit staat opgenomen dat als de opdrachtnemer steeds zelf de arbeid verricht, er in principe wordt aangenomen dat hij daartoe verplicht is.

In de in samenwerking met VNO-MKB en MKB-Nederland opgestelde modelovereenkomst vrije vervanging is bovenstaande geregeld. Ook is daarin vastgelegd dat de opdrachtgever de (tijdelijke) vervanger niet mag weigeren, behalve dan op grond van objectieve kwalificaties. Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van opdracht zetten opdrachtgever en opdrachtnemer samen op papier aan welke objectieve kwalificaties opdrachtnemer en eventueel zijn vervanger(s) moeten voldoen. Deze worden vervolgens als bijlage bij de overeenkomst gevoegd. Vervolgens staat er in de modelovereenkomst opgenomen dat de opdrachtnemer ook tijdens zijn vervanging verantwoordelijk blijft voor de kwaliteit van het werk en de naleving van de gemaakte afspraken.

Laat je vervangen als je vrije vervangbaarheid afspreekt

Kortom het verdient de voorkeur om tijdens vakantie en ziekte voor een vervanger te zorgen, die het werk tijdelijk kan overnemen. Zodat de afspraken over vrije vervanging ook in de praktijk worden gebracht. Gebeurt dat niet, dan bestaat het risico dat de Belastingdienst met het hiervoor genoemde beleidsbesluit in de hand zal stellen dat er feitelijk geen sprake was van vrije vervanging, omdat die nooit heeft plaatsgevonden.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

 

[1] Besluit Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2006, nr. DGB2006/857M, Stcrt. 2006, 141

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Fictieve dienstbetrekking potentiële spelbreker bij inhuur zzp-er via een intermediair

Met de invoering van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) is het de vraag of opdrachtgevers nog wel tot rechtstreekse inhuur van zzp-ers overgaan. Als je de berichten in de media moet geloven, dan hebben de intermediairs het inmiddels een stuk drukker gekregen. Dat zou betekenen dat opdrachtgevers ervoor kiezen om het loonbelastingrisico bij henzelf weg te houden door gebruik te maken van een intermediair. In hoeverre kunnen opdrachtgevers het loonbelastingrisico weghouden door een intermediair te gebruiken bij de inhuur van zzp-ers?

Inhuren via intermediairs kent verschillende vormen die op onderdelen van elkaar kunnen afwijken. Voor nu richt ik mij op de intermediair die de inhuur van zzp-ers (eenmanszaak) verzorgt voor de (eind)opdrachtgever.

Bij de inhuur via een intermediair zijn er mijns inziens 2 varianten te onderscheiden:

  1. Juridische tussenkomst: in dat geval wordt de intermediair opdrachtgever van de zzp-er en gaat met hem een overeenkomst van opdracht aan. Vervolgens sluit de intermediair een overeenkomst met de (eind)opdrachtgever.
  2. Bemiddeling: in dit geval gaat de zzp-er een rechtstreekse overeenkomst aan met de (eind)opdrachtgever. De intermediair heeft geen andere juridische band met zzp-er en opdrachtgever dan die van bemiddelaar.

Opdrachtgevers moeten zich goed bewust zijn van de wijze waarop de inhuur plaatsvindt. Bij variant 2 zullen zij zelf moeten beoordelen of er niet feitelijk sprake is van een loondienstbetrekking en dat dan aan het gebruik van de modelovereenkomst niet wordt toegekomen. Deze variant verschilt mijns inziens niet van rechtstreekse inhuur en behandelen we daarom niet verder.

Blijf uit de fictieve dienstbetrekking voor uitzendpersoneel

Een aandachtspunt bij het gebruik van een intermediair is de fictieve dienstbetrekking voor uitzendpersoneel. Daarvan is geen sprake als de zzp-er als ondernemer kwalificeert. De Belastingdienst en eventueel de rechter is/zijn de enige partij(en) die beslis(t)(sen) of iemand ondernemer is. Toch worden partijen in de keten van in- en doorlenen gevraagd om te beoordelen of met een ondernemer van doen is. Daarvoor is in de modelovereenkomst tussenkomst een toets opgenomen met een aantal vast te leggen gegevens om te bepalen of er sprake is van een ondernemer.

Precieze uitleg ondernemerstoets nog onduidelijk

Met betrekking tot de ondernemerstoets in de modelovereenkomst tussenkomst is onduidelijk hoe deze moet worden uitgelegd bij repeterende en langer lopende opdrachten. In de modelovereenkomst wordt hierover het volgende geschreven. Het bewijsvermoeden van het zijn van ondernemer op basis van de ondernemerstoets is niet aanwezig, op het moment dat opdrachtnemer opvolgende opdrachten van langere duur via de intermediair uitvoert op het moment dat deze gelet op de aard van de werkzaamheden langer dan gebruikelijk zijn. Dit is een bepaling waarvan de Belastingdienst nog nader moet duiden hoe deze precies moet worden uitgelegd. De vragen die beantwoord moeten worden zijn: hoe lang mag in welk geval een opdracht via een intermediair duren en hoeveel opvolgende opdrachten mag men hebben? Wordt in strijd met deze bepaling gewerkt, zal de uitzendfictie toch onbedoeld van toepassing kunnen zijn. Volgens de Staatssecretaris ligt er zowel bij de intermediair als de uiteindelijke opdrachtgever een verantwoordelijkheid om vast te stellen dat aan de voorwaarden van de ondernemerstoets is voldaan.

Wat nu als de zzp-er ten onrechte als ondernemer is aangemerkt?

Als de Belastingdienst later met succes het standpunt inneemt dat de zzp-er niet als ondernemer kwalificeert, kan de fictieve dienstbetrekking voor uitzendpersoneel van toepassing zijn. Dat is het geval als de zzp-er onder toezicht en leiding heeft gewerkt van de (eind)opdrachtgever. Voor het inlenen onder een modelovereenkomst is van belang dat de opdrachtnemer/zzp-er niet werkt onder leiding en toezicht van de opdrachtgever. Gebeurt dat wel, dan ontstaat er inhoudingsplicht (in eerste instantie) bij de intermediair. Als de opdrachtgever het niet aandurft om rechtstreeks in te huren wegens het risico van het constateren van een dienstbetrekking, is het in mijn ogen niet op voorhand zeker dat er dan ook niet voldaan is aan de voorwaarde leiding en toezicht, als wordt ingeleend via een intermediair. De vraag is dus of het inhuren van zzp-ers via een intermediair de oplossing is voor de onzekerheden die inhuur onder de wet DBA met zich meebrengt.

Kortom ook het gebruik maken van een intermediair biedt geen 100% garantie om van naheffingen gevrijwaard te blijven als opdrachtgever. Hopelijk komt er op korte termijn in ieder geval meer duidelijkheid over de toepassing van de ondernemerstoets, zodat die onzekere factor bij de inhuur in ieder geval wordt weggenomen.

Houdt bij inhuur via een intermediair rekening met het volgende. Voor de Belastingdienst ligt de drempel om een loonheffingsclaim neer te leggen op grond van de fictieve dienstbetrekking zeer waarschijnlijk lager dan om een loondienstbetrekking aannemelijk te maken. Omdat voor het aanwezig zijn van een fictieve dienstbetrekking ook vereist is dat de arbeid persoonlijk verricht moet worden, kan het risico dat een fictieve dienstbetrekking wordt geconstateerd beperkt worden door overeen te komen dat zzp-er zich vrij mag laten vervangen. Laat deze afspraak dan geen dode letter zijn.

Tot slot als troost voor de opdrachtgever: de intermediair zal als eerste worden aangesproken op de loonheffingen. Als die goed heeft geregeld op welke wijze de loonheffingen verhaald kunnen worden op zzp-er en dat ook doet en deze ook afdraagt, loopt de opdrachtgever geen risico.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Waarom de bv geen oplossing is, maar vof en coöperatie wel voor ontwijken risico op loondienstverband?

Nu de Wet DBA is ingevoerd zijn opdrachtgevers en –nemers met elkaar in overleg over hoe de inhuur van tijdelijke arbeidskrachten vanaf 1 mei te organiseren. Als een opdrachtgever vermoedt dat de Belastingdienst een loondienstbetrekking constateert, wordt die (terecht) huiverig om zzp-ers in te huren. Partijen gaan dan in overleg over de vraag hoe de inhuur dan te organiseren.

In een eerder blog heb ik geschreven over de ZZP-Oké en Uniforce DUBV concepten. Dit zijn zoals ik toen concludeerde kostbare oplossingen door de hogere belasting- en premieheffing. Dat zijn bv’s waarbij de DGA in een loondienstbetrekking staat en die premies werknemersverzekeringen inhoudt en afdraagt. Iets minder kostbaar is het gebruik van een “gewone” BV waarbij de dga voor de premies werknemersverzekeringen niet in een loondienstbetrekking staat, maar werkt dat ook? Of zijn er andere oplossingsrichtingen denkbaar als een zzp-er als eenmanszaak niet meer ingehuurd wordt?

Gebruik BV zal vaak geen oplossing vormen om uit de loondienstbetrekking te blijven

Als gebruik gemaakt wordt van een BV, zal beoordeeld moeten worden of die bv een reële betekenis heeft. In veel gevallen zal de Belastingdienst het gebruik van de BV wegdenken en de gemaakte afspraken toerekenen aan de directeur grootaandeelhouder/opdrachtnemer. Veelal wordt gebruik gemaakt van een BV, die de opdracht aanneemt, waarbij de dga/natuurlijke persoon die opdracht uitvoert. De bepalingen voor het constateren van een arbeidsovereenkomst, zijn ook hier van belang. Kan de opdrachtgever feitelijk dwingende aanwijzingen geven aan dga/natuurlijk persoon, moet hij het werk persoonlijk verrichten en wordt er betaald voor de werkzaamheden, dan is voldaan aan de voorwaarden voor de loondienstbetrekking.

Als wat opdrachtgever en opdrachtgever hebben afgesproken meer afwijkt van wat werkgever en werknemer veelal afspreken, zal eerder sprake zijn van een overeenkomst van opdracht en geen arbeid. In de praktijk zal meestal blijken dat de BV geen oplossing biedt als men zo tracht de loondienstbetrekking te ontwijken, omdat de Belastingdienst daar doorheen zal kijken.

Gebruik maken van een coöperatie of vennootschap onder firma wel een oplossing met aandachtspunten

Als verschillende ondernemers zich gezamenlijk organiseren in een coöperatie of een vennootschap onder firma kan dat een oplossing kunnen bieden om van de dienstbetrekking weg te blijven. De coöperatie of vennootschap onder firma is dan de opdrachtnemer. Er wordt geen overeenkomst van opdracht aangegaan met een individuele natuurlijke persoon of zijn BV, maar met de vof of coöperatie. Die zorgt voor de uitvoering van de opdracht en is ook verantwoordelijk voor het eindresultaat. Daarbij is de vof of coöperatie vrij om te kiezen wie de opdracht uitvoert.

De participanten/vennoten moeten op gelijkwaardige basis samenwerken binnen de coöperatie of vennootschap onder firma, wil je binnen het samenwerkingsverband niet tegen loonheffingen aanlopen. Als er ondergeschiktheid ontstaat tussen deelnemers onderling, loop je tegen inhoudingsplicht loonheffingen aan. Iets wat men nu juist probeert te voorkomen.

In de uitvoering hebben de coöperatie en de vof een aantal aandachtspunten. Veel zzp-ers waarderen hun eigen vrijheid als ondernemer, het is de vraag of zij zichzelf op gelijkwaardige basis zien ondernemen/samenwerken met mede zzp-ers. Dat is wel een belangrijke voorwaarde om de coöperatie of vof tot een succes te maken. Ook zal de vof of coöperatie voldoende afstand moeten bewaren tot de opdrachtgever. Die mag dus geen bemoeienis hebben met het opzetten en besturen van de vof of coöperatie. Of met wie er wel en niet namens de vof opdrachten mogen uitvoeren.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Voorlichting over de Wet DBA is niet veel waard bij latere handhaving

Bij de behandeling van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) heeft de Staatssecretaris van Financiën in de Tweede en de Eerste Kamer het wetsvoorstel toegelicht. Ook heeft hij meerdere malen Kamervragen over de wet beantwoord. De Belastingdienst is ook al enige tijd bezig met het geven van voorlichting over de Wet DBA. In die voorlichting wordt het beeld geschetst dat er ten opzichte van het werken onder de var-verklaring weinig is veranderd. Zowel de staatssecretaris als de Belastingdienst doen erg hun best om die beeldvorming bij het publiek te creëren om zo onrust weg te nemen. Dat botst soms met de informatievoorziening deze verloopt daardoor niet optimaal. Er is ook informatie verstrekt die later onjuist bleek of nader verduidelijkt moest worden. Om wordt om de hete brij heen gedraaid ten aanzien van waar het echt om gaat.

Onduidelijkheid bij opdrachtgever en opdrachtnemer over toepassing Wet DBA

Bij opdrachtgevers en opdrachtnemers bestaat er nog onduidelijkheid en daarmee onzekerheid over de toepassing van de nieuwe wet. De verwachting is dat deze wet in de handhavingssfeer tot discussie met de Belastingdienst zal leiden. Dat betekent dat opdrachtgevers en -nemers in een dergelijk geval een beroep zullen doen op wat de staatssecretaris over de wet heeft gezegd en de voorlichting van de Belastingdienst. In hoeverre kunnen opdrachtgever en opdrachtnemer vertrouwen ontlenen aan deze uitlatingen?

Bij de uitlatingen van de Staatssecretaris van financiën moet een onderscheid gemaakt worden tussen zijn uitlatingen als wetgever (daaraan kan geen vertrouwen worden ontleend) en zijn uitlatingen als uitvoerder van de wet. Daaraan kan men wel vertrouwen ontlenen.

Ten aanzien van de Belastingdienst moet een onderscheid gemaakt worden tussen een bewuste standpuntbepaling en meer algemene voorlichting. Van dat laatste is sprake bij algemene informatie van de belastingtelefoon en algemene inlichtingen. Ten aanzien van de voorlichting van de Belastingdienst over de Wet DBA zal naar ik verwacht eerder sprake zijn van algemene voorlichting dan een bewuste standpuntbepaling. Er kan een latere discussie ontstaan met de Belastingdienst over de uitleg van de wet. Door opdrachtgever- en/of nemer kan dan verwezen worden naar de eerdere voorlichting. De Belastingdienst kan op dat moment stellen dat aan die algemene informatie geen vertrouwen ontleend kan worden en vervolgens een daarvan afwijkend standpunt innemen of een afwijkende uitleg geven..

Bewuste standpuntbepaling door Belastingdienst te verkiezen boven algemene informatie

Voor zover er onduidelijkheid bestaat over de uitleg van de Wet DBA kan een belastingplichtige het meeste vertrouwen ontlenen aan door de Belastingdienst ingenomen standpuntbepaling. Dat betekent dat er een schriftelijk verzoek gedaan moet worden, waarbij de op de zaak betrekking hebbende relevante feiten ook worden genoemd. Als de Belastingdienst op basis daarvan een standpunt inneemt kan men daaraan een in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen.

Een deel van het voor handen zijnde voorlichtingsmateriaal van de Belastingdienst zal een vals gevoel van zekerheid geven voor opdrachtgever en –nemer als zij opdrachten sluiten. Partijen moeten zich daarvan bewust zijn en proberen om onzekerheden zoveel mogelijk uit te sluiten. Bijvoorbeeld door afstemming met de Belastingdienst over specifieke vragen.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

BV is dure oplossing voor zzp-er om mogelijke dienstbetrekking te ontwijken

Met het afschaffen van de var-verklaring worstelen opdrachtgevers en opdrachtnemers met de vraag hoe de inhuur van tijdelijke arbeidskrachten in te vullen. De opdrachtgever wil geen risico lopen op naheffingen. Een van de oplossingen die genoemd wordt is het gebruik van een BV. Het moet dan gaan om een BV waarbij de opdrachtnemer in een loondienstbetrekking staat tot die BV en waarbij sprake is van inhoudingsplicht premies werknemersverzekeringen. Er kan gebruik gemaakt worden van de diensten van ZZP-Oké of Uniforce. Is er bij de BV van opdrachtnemer geen inhoudingsplicht premies werknemersverzekeringen, dan beoordeelt de Belastingdienst de werkrelatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer op zelfde wijze als die tussen de zzp-er en opdrachtgever. Als de BV inhoudingsplichtige is voor de premies werknemersverzekeringen, zal de Belastingdienst er meestal minder belang bij hebben om op het niveau van de opdrachtgever kritisch te kijken naar de werkrelatie.

Wat betekent het gebruik declarabele uren BV?

Omdat de zzp-er als werknemer gezien wordt van de declarabele uren BV, verliest hij het recht op de ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek, eventueel starters aftrek en de MKB-winstvrijstelling). Daarnaast zijn er premies werknemersverzekeringen verschuldigd door BV van opdrachtnemer.

overzicht_berekening_IB_-onderneming_versus_BV

 

Bij een winst van € 60.000 na kosten bedraagt het verschil in netto inkomen € 9.022. Bij de berekening is rekening gehouden met het feit dat de premies zvw en werknemersverzekeringen voor rekening van de werkgever komen, vandaar het verschil in loon/winst. De IB-ondernemer houdt netto € 42.991 over en de BV-ondernemer € 33.970.

Om e.e.a. vergelijkbaar te houden heb ik ervoor gekozen om niet te doteren aan de oudedagsreserve respectievelijk pensioen op te bouwen. Daarnaast ben ik er vanuit gegaan dat er geen sprake is van overige aftrekposten (denk bijvoorbeeld aan hypotheekrenteaftrek) en dat het hele inkomen geconsumeerd wordt. Verder zullen de kosten voor het aanhouden van een BV ook hoger liggen. Mogelijk scheelt dat nog wel € 2.000 aan extra kosten (deponeringsjaarrekening, loonadministratie en aangifte vennootschapsbelasting).

Gebruik BV levert fors verlies netto-inkomen op voor zzp-er

Al met levert het werken via een zogenaamde declarabele uren-bv een fors inkomensverlies op voor de zzp-er. Vermoedelijk zal de Belastingdienst bij het gebruik van deze oplossing minder kritisch zijn bij het beoordelen van de arbeidsrelatie en loopt opdrachtgever een kleiner risico op naheffing van loonheffingen. Daarin kan het gebruik van de BV een voordeel bieden. Of de opdrachtnemer daar netto zoveel voor zal willen inleveren? Wellicht kunnen opdrachtgever en –nemer overeenkomen dat er een hoger uurtarief wordt betaald, enerzijds omdat opdrachtgever minder risico loopt op naheffingen (is ook wat waard) anderzijds omdat opdrachtnemer netto minder overhoudt.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Er is een alternatief voor de modelovereenkomst met meer zekerheid voor opdrachtgever en -nemer

Als partijen gebruik willen maken van een modelovereenkomst, hebben ze verschillende mogelijkheden. Ze kunnen ervoor kiezen om een al gepubliceerde modelovereenkomst te gebruiken of een zelf opgestelde modelovereenkomst ter beoordeling voorleggen aan de Belastingdienst. Als gekozen wordt om een modelovereenkomst voor te leggen, waarmee moet rekening gehouden worden? Vervolgens ga ik in op een alternatief die mogelijk meer zekerheid geeft aan partijen.

Als de zelf opgestelde modelovereenkomst wordt voorgelegd zijn er een drietal uitkomsten:

  1. De Belastingdienst keurt de modelovereenkomst goed en geeft aan dat als conform deze overeenkomst wordt gewerkt er geen inhouding van loonheffingen hoeft plaats te vinden. De meerderheid van de goedgekeurde overeenkomsten worden niet door de Belastingdienst gepubliceerd, ook al heeft de indiener daarvoor wel toestemming gegeven. Wat opsteken van inmiddels goedgekeurde en gepubliceerde overeenkomsten is beperkt mogelijk.
  2. De Belastingdienst stelt dat op basis van het vastgelegde feitencomplex het niet mogelijk is om een standpunt in te nemen. In dat geval is het gebruik van de modelovereenkomst voor rekening en risico van opdrachtgever en opdrachtnemer.
  3. De Belastingdienst stelt dat als onder de feiten vastgelegd in de modelovereenkomst gewerkt wordt er sprake is van inhoudingsplicht voor opdrachtgever.

De beslissing betreffende de voorgelegde modelovereenkomst levert geen voor bezwaar vatbare beschikking op. Het enige dat partijen kunnen doen bij een negatieve beslissing is loonheffingen inhouden en afdragen en daar vervolgens bezwaar tegen aantekenen. De vraag is of dat ook praktisch is.

Partijen kunnen ook besluiten om onder een andere (wel goedgekeurde) modelovereenkomst te werken. Het risico is dan aanwezig dat de Belastingdienst later zal stellen dat er toch gewerkt is volgens de feiten van de eerder niet goedgekeurde modelovereenkomst en op basis daarvan loonheffingen naheffen. Dit maakt het voorleggen van de modelovereenkomst een onzekere factor, als de overeenkomst uiteindelijk niet voldoet om de goedkeuring van de Belastingdienst te krijgen.

Een bezwaar van de modelovereenkomst is dat deze feitelijk geen zekerheid geeft. 1) Het is maar zeer de vraag of het mogelijk is om vooraf de feiten waaronder gewerkt wordt goed schriftelijk vast te leggen. 2) Als de Belastingdienst achteraf constateert dat er in afwijking van de feiten is gewerkt, lopen opdrachtgever en opdrachtnemer risico’s op naheffingen. In de praktijk zal dit risico bij opdrachtgever liggen.

Een aantal van de bezwaren van de modelovereenkomst kunnen ondervangen worden. Het is mogelijk om een statusbeschikking aan te vragen voor de werknemersverzekeringen op grond van art. 59 lid 3 Wfsv, art. 72c, lid 1 ZW, art. 127a, lid 1 WW, art. 87 lid 1 WAO of art. 7 lid 2 WIA. De Belastingdienst oordeelt bij voor bezwaar vatbare beschikking of sprake is van verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Dit kan als alternatief voor het ter beoordeling voorleggen van een modelovereenkomst. Er zal dan een beschikking worden afgegeven waarin vastgelegd is of er sprake is van inhoudingsplicht. In tegenstelling tot de overeenkomst die onder de Wet DBA is beoordeeld, levert deze beoordeling wel een voor bezwaar vatbare beschikking op.

Bij een controle achteraf verwachten wij dat het lastiger zal zijn voor de Belastingdienst om alsnog te stellen dat feitelijk sprake was van een loondienstbetrekking. Dan heeft de Belastingdienst vooraf bij het afgeven niet goed haar werk gedaan en zullen eventuele naheffingsaanslagen vernietigd moeten worden met een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Door een statusbeschikking aan te vragen bij de Belastingdienst krijgen opdrachtgever en –nemer zekerheid over hun werkrelatie. In tegenstelling tot de voorgelegde modelovereenkomst gaat het om een voor bezwaar vatbare beschikking. Ook vermoeden wij dat er achteraf meer zekerheid is te ontlenen aan de beslissing van de Belastingdienst als een statusbeschikking is afgegeven.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Haastige spoed is goed voor zzp-er die risico’s bij inhuur voor zichzelf en opdrachtgever wil beperken

Met het afschaffen van de VAR-verklaring en de invoering van de wet deregulering beooordeling arbeidsrelaties (wet dba), verandert de positie van de opdrachtgever als inhuurder van tijdelijke arbeidskrachten. Onder de VAR-verklaring was het hebben van een kopie van de VAR-WUO of VAR-DGA in combinatie met een kopie van een identiteitsbewijs voldoende, om niet aangesproken te worden op naheffing van loonheffingen, mocht later blijken dat er feitelijk sprake was van een dienstbetrekking. Onder de wet dba wordt dat anders, de opdrachtgever zal zelf moeten beoordelen of sprake is van een loondienstbetrekking bij de inhuur van tijdelijke arbeidskrachten. Als de conclusie van die beoordeling is dat er geen dienstbetrekking is, kan onder een modelovereenkomst gewerkt worden. Wel is van belang om ook vast te stellen dat er geen sprake is van een zogenaamde fictieve dienstbetrekking, dan wel deze uit te sluiten voor zover dat mogelijk is.

De opdrachtgever zal zijn risico’s uit de inhuur willen beperken. Hij zal willen voorkomen dat er later naheffingen loonheffingen bij hem worden nageheven, omdat de Belastingdienst achteraf een loondienstbetrekking constateert ter zake van de inhuur van de zzp-er. De zzp-er opdrachtnemer kan dit risico ook beperken voor opdrachtgever.

Als er zo snel mogelijk na het jaareinde aangifte inkomstenbelasting wordt gedaan door de zzp-er, zal er in veel gevallen spoedig een definitieve aanslag inkomstenbelasting worden opgelegd. Als de aanslag definitief is, kan de Belastingdienst de verschuldigde loonbelasting niet meer op de werkgever verhalen als toch sprake is van een dienstbetrekking. Dat komt omdat het inkomen al in de belastingheffing betrokken is bij de opdrachtnemer/zzp-er en de aanslag daar definitief is vastgesteld.

De Belastingdienst zal de premies werknemersverzekeringen vermoedelijk nog wel kunnen verhalen op de opdrachtgever. Dat de loonbelasting (eventueel tegen anoniementarief), eventueel met boetes en rente niet meer op de werkgever verhaald kan worden, scheelt al een slok op een borrel.

Verder is het van belang dat de zzp-er niet verzoekt om zijn aangifte in een uitstelregeling op te laten nemen. Zeker als de aangifte in de uitstelregeling voor belastingconsulenten wordt opgenomen, zal de termijn om nog correctieaanslagen op te kunnen leggen met een jaar verlengd worden. Die is dan niet 5 jaar, maar 6 jaar.

Of de Belastingdienst de aangifte van de zzp-er kan corrigeren, is ook de vraag als de aanslag definitief is. Vermoedelijk zal er sprake moeten zijn van een nieuw feit wil de Belastingdienst de opgelegde aanslag kunnen corrigeren, er vanuit gaande dat de zzp-er erop mocht vertrouwen dat hij een juist standpunt heeft ingenomen door zijn inkomen als winst uit onderneming aan te geven.

Kortom zowel opdrachtnemer / zzp-er als opdrachtgever hebben er belang bij dat niet te lang na jaareinde getreuzeld wordt met het indienen van de aangifte inkomstenbelasting, waarin de winst uit onderneming is verantwoord.

Mr. E. de Ruiter directeur Apollo Tax bv telefoon 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen