Blog

Belasting blog
Huidige inhoud weergeven als RSS-feed

Belasting blog

Geregeld verschijnt er een belastingadvies blog over een actueel fiscaal onderwerp. Dit blog is bedoeld om u te informeren over voor u interessante ontwikkelingen op het gebied van belastingen. Het kan gaan om nieuwe jurisprudentie of hoe een nieuwe regeling in de praktijk uitwerkt.

Als u na het lezen van een blog vragen heeft, schroom niet om die te stellen!


1 - 10 van 29 resultaten
Gepubliceerd op door

Risico's voor bestuurder stichting of vereniging als vpb-plicht niet is onderkend?

Volledig bericht lezen: Risico's voor bestuurder stichting of vereniging als vpb-plicht niet is onderkend?

Als een vereniging of stichting een onderneming drijft, is zij vennootschapsbelastingplichtig en moet dan jaarlijks aangifte vennootschapsbelasting doen. Als er winst wordt gemaakt, is er vennootschapsbelasting verschuldigd. Welke risico's loopt een bestuurder van een vereniging of stichting op het moment dat de vennootschapsbelastingplicht niet (tijdig) wordt onderkend?

De Belastingdienst heeft maximaal vijf jaar de tijd om (navorderings)aanslagen vennootschapsbelasting op te leggen als er ten onrechte een onjuiste of geen aangifte vennootschapsbelasting wordt gedaan. Dat betekent dat de Belastingdienst ruim de tijd heeft om een eventueel vennootschapsbelastingplichtige stichting of vereniging op het spoor te komen, op het moment dat er niet tijdig is verzocht om uitreiking van een aangiftebiljet vennootschapsbelasting.

Binnen 6 maanden en twee weken verzoeken om uitreiking van aangiftebiljet

Als er sprake is van het drijven van een onderneming, moet de vereniging of stichting binnen zes maanden en veertien dagen na afloop van het winstjaar zelf verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet vennootschapsbelasting op basis van art. 6 AWR en art. 2 Uitv.reg. AWR. Als dat niet tijdig gebeurt, kan de Belastingdienst een verzuimboete opleggen.

Ook kan de Belastingdienst verzuim en/of vergrijpboetes opleggen voor het (opzettelijk) geen aangifte doen. Eventueel kan de Belastingdienst ook kiezen om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan. De bestuursleden lopen een risico om strafrechtelijk vervolgd te worden als niet (tijdig) aan de fiscale verplichtingen is voldaan.

Als het resultaat van de stichting of vereniging beneden de € 15.000 uitkomt, hoeft er geen aangifte vennootschapsbelasting gedaan te worden. Dat betekent dat er ook niet verzocht hoeft te worden om uitreiking van een aangiftebiljet vennootschapsbelasting.

Geen aangifte betekent geen verliesbeschikking

De stichting of vereniging loopt ook risico’s dat bij de verliesjaren het verlies uiteindelijk niet bij beschikking wordt vastgesteld, als niet verzocht is om het uitreiken van aangiftebiljetten vennootschapsbelasting. Wil men de verliezen bij beschikking laten vaststellen, dan moet er aangifte vennootschapsbelasting worden gedaan en moet geopteerd worden voor vennootschapsbelastingplicht. Dat laatste moet gebeuren uiterlijk voor het opleggen van de definitieve aanslag vennootschapsbelasting. Als de Belastingdienst op een later moment navorderingsaanslagen oplegt, worden verliezen niet bij beschikking vastgesteld. Dit met als gevolg dat die verliezen niet voor verrekening in aanmerking komen. Dat betekent dat er teveel vennootschapsbelasting wordt betaald.

De Belastingdienst zal 8% belastingrente berekenen over de verschuldigde vennootschapsbelasting. Ook een reden om tijdig aangifte vennootschapsbelasting te doen.

Doe aan risicobeperking zorg voor een fiscale opinie in de administratie

Als een bestuurder van mening is dat er geen sprake is van vennootschapsbelastingplicht, verdient het de voorkeur om een notitie te hebben in de administratie, waarin is uiteengezet waarom er geen sprake is van vennootschapsbelastingplicht. Bij een latere belastingcontrole kunnen de bestuurders van de vereniging of stichting daarmee laten zien dat ze niet opzettelijk hebben afgezien van het laten uitreiken van een aangiftebiljet. Daarmee wordt het risico op boetes bij het opleggen van aanslagen fors beperkt. Waar de vereniging of stichting nog wel een risico blijft lopen is de forse belastingrenteclaim met een rentepercentage van 8%. Willen de bestuursleden hier geen risico lopen, dan is vooroverleg met de Belastingdienst de enige mogelijkheid. Vraag de Belastingdienst te bevestigen dat er inderdaad geen sprake is van vennootschapsbelastingplicht.

Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met mr. Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Acht kritiekpunten op het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen bv

Volledig bericht lezen: Acht kritiekpunten op het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen bv

Op 4 maart 2019 is de internetconsultatie gestart voor het wetsontwerp excessief lenen bij de eigen bv. Per 1 januari 2022 treedt de nieuwe wet in werking. Deze wet zal leningen aan dga’s (directeur grootaandeelhouders) van de eigen bv in de belastingheffing betrekken. Hierna zal ik nader toelichten waarom het wetsvoorstel in mijn ogen slecht doordacht is en onevenwichtig uitpakt voor dga’s. 

Hoe ziet het wetsvoorstel er precies uit?
Voor zover de dga en zijn partner meer hebben geleend van de eigen bv dan € 500.000, wordt het exces in box 2 belast als fictief regulier voordeel. Als de bv van de dga geld heeft uitgeleend aan (groot)ouders of (klein)kinderen, tellen die leningen mee. Leningen gebruikt om de eigen woning te financieren zijn uitgezonderd, deze tellen niet mee. Over het fictieve voordeel is 26,9% inkomstenbelasting in box 2 verschuldigd in 2022. Na het belasten van het fictieve voordeel is de dga niet verlost van de schuld, de aflossings- en rentebetalingsverplichting blijven bestaan.

Geen onderscheid tussen zakelijke en onzakelijke schulden
1. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen schulden onder zakelijke voorwaarden aangegaan dan wel schulden onder onzakelijke voorwaarden aangegaan. Of er al dan niet zicht is op terugbetaling van de geldlening doet niet ter zake.

2. Als er met voldoende zekerheid is geleend, zal afgerekend moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan de in de praktijk veel voorkomende situatie dat de dga in privé een vastgoedportefeuille heeft opgebouwd met een waarde van € 10 miljoen, waarbij de bv € 6 miljoen heeft gefinancierd. In dat geval moet er over € 5,5 miljoen worden afgerekend. Terwijl de liquiditeiten om af te rekenen mogelijk helemaal niet beschikbaar zijn en de bv over voldoende zekerheden beschikt om terug betaald te worden.

Dubbele belastingheffing bij dga’s als gevolg van het wetsvoorstel
3. Het wetsvoorstel leidt tot dubbele belastingheffing bij dga’s. Als er over het exces van de schuld belasting is betaald, mag in een later jaar rekening gehouden worden met de eerdere fictieve heffing. Dit om te voorkomen dat er over hetzelfde deel van het exces van de schuld nogmaals inkomstenbelasting wordt geheven. Op het moment dat de vordering op de dga wordt uitgekeerd ten titel van dividend dan wel wordt prijsgegeven, geldt er geen aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing, voor zover er eerder al een fictieve heffing heeft plaatsgevonden. In dat geval wordt er dubbel geheven, eerst is er 26,9% geheven over het fictieve inkomen. Later wordt er nogmaals 26,9% geheven over de uitdeling. Totaal is de heffing dan 53,8%.

4. In de afgelopen jaren hebben veel particulieren hun box 3 vermogen als kapitaalstorting ingebracht in de bv en vervolgens terug geleend. Over deze lening moet afgerekend worden voor zover deze de € 500.000 overstijgt terwijl er helemaal geen overwaarde op de aandelen van de bv is, waarop een inkomstenbelastingclaim rust.

Lenen aan familieleden leidt tot fiscaal afrekenen
5. Aandeelhouders met een belang vanaf 5% kunnen met de fictieve heffing worden geconfronteerd in het geval er is geleend aan henzelf dan wel aan familieleden ((groot)ouders en (klein)kinderen). Een minderheidsaandeelhouder zal vaak geen mogelijkheid hebben om een dividenduitkering af te dwingen, dan wel het beleid met betrekking tot het verstrekken van geldleningen kunnen beïnvloeden. Het lenen door de bv aan familieleden in de rechte lijn, kan wel tot belastingheffing bij de dga leiden.

6. In reguliere bedrijfsoverdrachtssituaties blijft de bedrijfsopvolger in privé de koopsom verschuldigd aan de holding van vader of moeder voor de koop van de aandelen in de werkmaatschappij.  Dat leidt tot verplicht afrekenen voor zover de schuld hoger is dan € 500.000. In de memorie van toelichting is dit zelfs in een voorbeeld uitgewerkt, dit kan toch niet de bedoeling zijn van het wetsvoorstel.

7. De bv wordt beperkt in de mogelijkheden om overtollige liquide middelen te beleggen, als er niet meer uitgeleend mag worden dan in totaal € 500.000 aan de dga en zijn familieleden.

8. Tot slot is in de toelichting op het wetsvoorstel geschreven dat voor leningen tot € 500.000 nog steeds getoetst moet worden of die lening niet onder zodanige voorwaarden is aangegaan, dat er feitelijk een uitdeling aan de aandeelhouder heeft plaatsgevonden. Ook met dit wetsvoorstel is de discussie of de dga in staat is om de geldlening af te lossen niet geëindigd.

Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

 

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Concept wetsvoorstel excessief lenen bij eigen bv gepubliceerd

Volledig bericht lezen: Concept wetsvoorstel excessief lenen bij eigen bv gepubliceerd

Op 4 maart 2019 is de internetconsultatie gestart voor het wetsontwerp excessief lenen bij de eigen bv. Per 1 januari 2022 treedt de nieuwe wet in werking, die leningen van dga’s (directeur grootaandeelhouders) van de eigen bv in de belastingheffing gaat betrekken, voor zover de schuld de grens van € 500.000 overschrijdt. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de eigen woning, die is gefinancierd vanuit de bv van de dga.


Hoe ziet het wetsvoorstel er precies uit?
De grens van € 500.000 ziet op leningen aangegaan door de dga en zijn partner, ook als die geen aandelen bezit. Totaal blijft er maximaal € 500.000 buiten de heffing. Ook voor zogenaamde verbonden personen is de regeling van toepassing. Als de bv van vader geld heeft uitgeleend aan kinderen of kleinkinderen, tellen die leningen mee. Voor zover de grens van € 500.000 wordt overschreden moet vader een dividenduitkering in aanmerking nemen. De verbonden persoon hoeft dus geen aanmerkelijk belang te hebben in de bv die het geld heeft uitgeleend. Heeft de verbonden persoon zelf een aanmerkelijk belang, dan geldt regeling van het exces van € 500.000. Voor zover zij dan zelf meer dan € 500.000 hebben geleend, worden ze met belastingheffing geconfronteerd.


Geen onderscheid tussen zakelijke en onzakelijke schulden
Het wetsvoorstel maakt bij de schulden geen onderscheid tussen schulden onder zakelijke voorwaarden aangegaan dan wel schulden onder onzakelijke voorwaarden aangegaan. Het verstrekken van (voldoende) zekerheden, leidt er niet toe dat afgezien hoeft te worden van afrekenen.


Garantstellingen door de bv of het doorlenen van geld vallen ook onder de regeling. Denk bijvoorbeeld aan een lening door de bank verstrekt aan de dga, waarbij de bv garant staat voor die geldlening. Als de garantstelling enkel leidt tot een lagere te betalen rente, valt die garantstelling niet onder de maatregel. De dga kan dan ook zelfstandig de lening bij de bank aangaan. Ook als de broer van de dga geld leent van de bv van dga en het geld vervolgens aan de dga leent, is deze regeling van toepassing.


Als een dga van meerdere bv’s leent, worden al die schulden bij elkaar opgeteld. Er wordt vanaf de natuurlijk persoon gekeken.


Eigenwoningschulden zijn uitgezonderd
Een schuld die als eigenwoningschuld voor de eigenwoningregeling van box 1 kwalificeert en waarvoor een recht van hypotheek als bedoeld in boek 3, titel 9, BW is gegeven, is uitgezonderd. Voor een per 31 december 2021 bestaande eigenwoningschuld geldt de voorwaarde van het verstrekken van een recht van hypotheek niet.
Zodra de rente op de eigenwoningschuld niet meer aftrekbaar is (na 30 jaar), verliest de schuld de status van de eigenwoningschuld en blijft die niet meer buiten aanmerking voor de maatregel.


Hoe het fictieve reguliere voordeel te bepalen?
Voor zover de schuld aan de bv de grens van € 500.000 overschrijdt, komt op die hogere schuld eerst de eerdere fictieve reguliere voordelen in mindering (het deel van de geldlening dat al eens in de belastingheffing is betrokken). Zo wordt voorkomen dat het hetzelfde bovenmatige deel van de lening jaarlijks opnieuw in de belastingheffing wordt betrokken. De inwerkingtreding is 1 januari 2022, met als peildatum 31 december 2022 voor de hoogte van de schuld. Het exces zal dan tegen 26,9% (box 2 tarief 2022)  in de belastingheffing worden betrokken. Natuurlijk is het mogelijk om de schuldpositie in de jaren daarvoor af te bouwen, daarbij gebruik makend van de lagere box 2 tarieven tot 2022.


Om te voorkomen dat bovenmatige schulden dubbel in de heffing worden betrokken op het moment dat er meerdere ab-houders zijn is geregeld dat het bovenmatige deel tussen de verschillende ab-houders verdeeld kan worden. Stel opa en vader zijn ieder ab-houder in een bv die een lening van € 700.000 heeft verstrekt aan (klein)zoon. Om te voorkomen dat opa en vader ieder over € 200.000 moeten afrekenen, is geregeld dat zij de € 200.000 onderling mogen verdelen.


Ook na fictieve voordeel blijven alle verplichtingen uit hoofde geldlening bestaan
In de inleiding op het wetsvoorstel wordt geschreven dat deze maatregel enkel gevolgen heeft voor de bepaling van het inkomen uit aanmerkelijk belang. Dat betekent dat met het genieten van het fictieve voordeel in box 2, de schuld en de daarmee samenhangende aflossingsverplichting en de verplichting tot het betalen van rente niet is verdwenen. De vordering blijft op de balans van de bv staan en over de rente moet de bv vennootschapsbelasting betalen. Er geldt dus geen verplichting om dividendbelasting in te houden en af te dragen.


Of de bv gezien haar vermogenspositie in staat is om het dividend uit te keren, dan wel door de uitkeringstest komt, is niet relevant, nu het alleen om een fictieve uitkering in box 2 gaat. In het wetsvoorstel wordt dit verdedigt om zo de uitvoeringslast voor de belastingplichtigen als de Belastingdienst zo laag mogelijk te houden. Op deze manier gaat men wel voorbij aan de vraag of de schuldverhouding nog wel bestaat of feitelijk al eerder als dividend is uitgekeerd. Ook het civielrechtelijk niet kunnen afwikkelen van de schuldverhouding, omdat er geen aflossingscapaciteit is, dan wel het niet mogelijk is om dividend uit te keren speelt geen rol. De vraag is of dit in de praktijk ook zo zal uitwerken nu er fiscaal is afgerkend over een schuld die civielrechtelijk blijft bestaan met alle verplichtingen van dien zoals het betalen van aflossing en rente.


Maatregel om dubbele heffing op fictieve voordeel te voorkomen
In het wetsvoorstel is een maatregel opgenomen om dubbele belastingheffing te voorkomen op het moment dat de aandelen in de bv worden verkocht en er eerder is afgerekend over het fictieve voordeel wegens een excessieve schuld. Om te voorkomen dat er bij een verkoop van de aandelen in de bv waar met een fictief voordeel rekening is gehouden nog eens moet worden afgerekend, mag dit fictieve voordeel in mindering worden gebracht op de verkoopopbrengst. Over wat dan resteert moet worden afgerekend. De aftrek van het fictieve voordeel kan er niet toe leiden dat er een verlies uit aanmerkelijk belang ontstaat.


Of die bepaling altijd voldoende is betwijfel ik. Als de aandelen niet verkocht worden, maar geschonken worden of vererven en er geen vervreemdingsvoordeel wordt geconstateerd, heeft de dga niets aan de voorkomingsmaatregel van dubbele belastingheffing. Zou de schuld op een later moment alsnog via een dividenduitkering worden afgewikkeld dan wel worden afgelost uit privémiddelen, blijft de dga zitten met de over de fictieve verkrijging betaalde inkomstenbelasting. Daarom denk ik dat het verstandig is om de schuld zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk voor 31 december 2022 af te wikkelen. Gezien de gebudgetteerde inkomsten voor 2019 van € 1,35 miljard uit deze maatregel is dit ook wat de Staatssecretaris van Financiën verwacht.


Situatie van reguliere bedrijfsopvolging ook geraakt
Uit de voorbeelden bij het wetsvoorstel blijkt dat ook reguliere situaties van bedrijfsopvolging door deze maatregel worden getroffen. Eén van de voorbeelden gaat over een vader met een holding en een werkmaatschappij. Die werkmaatschappij wordt door zijn dochter gekocht, waarbij de koopsom (€ 700.000) aan de holding verschuldigd wordt gebleven. Voor het verschil tussen € 700.000 en € 500.000, zijnde € 200.000 moet in box 2 worden afgerekend.


Conclusie
Deze voorgestelde maatregel zal voor een grote groep dga’s aanzienlijke gevolgen hebben. Om de belastingheffing over het fictieve voordeel te voorkomen zullen veel dga’s al voor 31 december 2022 tot dividenduitkering of aflossing overgaan om de schuld onder de grens van € 500.000 te brengen. In sommige gevallen is het wellicht mogelijk om de schuld en het daarmee samenhangende vermogensbestanddeel, bijvoorbeeld als er beleggingen zijn gefinancierd over te dragen aan de bv. Wat in de regeling geen aandacht heeft gekregen is de financiering van door de kinderen gedreven ib-ondernemingen. Daar kan men onverhoopt tegen forse belastingheffing aanlopen waarbij het zeer goed mogelijk om reguliere bedrijfsopvolgingssituaties zal gaan. De financiering van de werkmaatschappij van het/de kind(eren), lijkt nog wel mogelijk.

 

 

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Strenge uitleg van het begrip zorgwerkzaamheden uit de zorgvrijstelling vpb

Volledig bericht lezen: Strenge uitleg van het begrip zorgwerkzaamheden uit de zorgvrijstelling vpb
De toepassing van de zorgvrijstelling vennootschapsbelasting (vpb) leidt geregeld tot een discussie met de Belastingdienst. De eisen om de zorgvrijstelling te kunnen toepassen worden streng uitgelegd door de Belastingdienst. Naast de winstbestemmingeis, die voorschrijft dat de opbrengsten uit de zorgverlening alleen aangewend mogen worden voor de zorg of een algemeen maatschappelijk belang, mogen er uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zorgwerkzaamheden worden verricht. Dat betekent dat de werkzaamheden voor minimaal 90% uit zorgwerkzaamheden moeten bestaan.
 
Om aan de werkzaamhedeneis te kunnen voldoen is vereist dat het lichaam nagenoeg uitsluitend werkzaamheden verricht welke bestaan uit ‘het genezen, verplegen of verzorgen van zieken, kraamvrouwen, mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, wezen of ouderen die niet zelfstandig kunnen wonen’. In de praktijk is de vraag opgekomen wat in dit verband moet worden verstaan onder het begrip ‘genezen, verplegen en verzorgen’.
 
Welke zorg kwalificeert voor de zorgvrijstelling vpb?
Het moet gaan om een vorm van zorg waarvan de vergoeding voortvloeit uit het basispakket Zvw of de Wlz dan wel zorg die wordt verleend op basis van de Wpg, of een algemene maatwerkvoorziening als bedoeld in de WMO 2015 (zogenaamde collectief gefinancierde zorg). Belangrijk is dat niet alle vormen van zorg die onder de collectief gefinancierde zorg vallen ook kwalificeren als zorg onder de zorgvrijstelling als bedoeld in de Wet Vpb. Zo valt medicijnverstrekking door apotheken er niet onder.
 
Preventie
Werkzaamheden die zijn gericht op de preventie van ziekten vallen niet onder het begrip ‘genezen, verplegen en verzorgen’ in de zin van de zorgvrijstelling. Op dit uitgangspunt bestaan de volgende twee uitzonderingen:
- geïndiceerde en zorggerelateerde preventiewerkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de behandeling van medische klachten of aandoeningen en die zijn opgenomen in het basispakket van de Zvw; en
- zorggerelateerde en geïndiceerde preventie die plaatsvindt op grond van de Wlz; kwalificeren eveneens voor de werkzaamhedeneis.
 
Kwalificerende zorgwerkzaamheden
In het beleidsbesluit wordt een lijst met kwalificerende zorgwerkzaamheden genoemd. Voor thuiszorgorganisaties zal beoordeeld moeten worden in hoeverre de werkzaamheden kwalificeren. Werkzaamheden die gericht zijn op de preventie van ziekten kwalificeren niet.  Het gaat bijvoorbeeld om een cursus stoppen met roken of activiteiten op het gebied van jeugdzorg. Een zorginstelling zal na moeten gaan welk deel van de werkzaamheden niet kwalificeren en of dit de toepassing van de zorgvrijstelling niet in gevaar brengt.
 
Jeugdzorg
In het beleidsbesluit wordt geen aandacht besteed aan de jeugdzorg. Door de gewijzigde financiering van de Jeugdzorg, kan er sprake zijn van vennootschapsbelastingplicht. Dit omdat de door de gemeente met de jeugdzorginstellingen gesloten financieringsovereenkomsten mogelijk niet voldoen aan de voorwaarden genoemd in het subsidiebesluit voor de vennootschapsbelasting. Momenteel vindt er al langere tijd overleg plaats om te bepalen welke werkzaamheden kwalificeren voor de vrijstelling. Dit kan betekenen dat een zorginstelling afscheid zal moeten nemen van bepaalde werkzaamheden, wil men de zorgvrijstelling vennootschapsbelasting niet verliezen.
 
Nagenoeg uitsluitend 
Er is geen voorgeschreven regel om aannemelijk te maken dat aan het nagenoeg uitsluitend criterium (minimaal 90%) wordt voldaan bij de zorgverlening (bijvoorbeeld omzet, winst, fte of zorguren). Als er meer dan 10% niet kwalificerende werkzaamheden worden verricht, betekent dat het lichaam vennootschapsbelastingplichtig is. Het is aan de dagelijkse praktijk overgelaten om van geval tot geval een toetsingsmaatstaf te kiezen. Zowel van de belastingplichtige als van de Belastingdienst mag een invulling naar redelijkheid worden verwacht.
 
Handen aan het bed-eis
Zoals hiervoor al is geschreven moet het lichaam voor ten minste 90% kwalificerende zorgwerkzaamheden als bedoeld in de zorgvrijstelling verrichten. Het lichaam moet hierbij verplicht zijn om de zorgwerkzaamheden rechtstreeks ten opzichte van de zorgvragers te verrichten. Het lichaam moet de werkzaamheden zelf verrichten, daarvoor is overigens niet verplicht dat al het personeel in loondienst is van de zorgverlener. Inhuur van personeel is hierbij mogelijk. Met zorg samenhangende werkzaamheden van administratieve en organisatorische aard onder het bereik van de vrijstelling te brengen in de situatie waarin de kwalificerende zorgwerkzaamheden niet door het lichaam zelf worden verricht. Een topstichting met daarin slechts bestuurlijke activiteiten voldoet daarom niet aan de werkzaamhedeneis.
 
Tot slot
Met het nieuwe beleidsbesluit worden er een aantal voor de dagelijkse praktijk belangrijke verduidelijkingen gedaan voor de toepassing van de zorgvrijstelling. Helaas wordt de toepassing van de zorgvrijstelling ook beperkt door preventieve zorgwerkzaamheden uit te sluiten. Dit zal tot een lastenverzwaring leiden voor de zorginstellingen, die zullen moeten monitoren wat de omvang van de verschillende zorg- en niet-kwalificerende zorgwerkzaamheden. Met het risico de zorgvrijstelling vpb te verliezen.
 
Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383
Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Is fiscale kostenaftrek mogelijk van verplichte upgrade naar energielabel C in 2023 voor kantoorpanden?

Volledig bericht lezen: Is fiscale kostenaftrek mogelijk van verplichte upgrade naar energielabel C in 2023 voor kantoorpanden?

Vanaf 1 januari 2023 moet een verhuurd kantoorpand minimaal energielabel C hebben. Als het verhuurde pand energielabel D of hoger heeft, moet de verhuurder investeren om het naar het minimaal naar energielabel C te brengen. Daarmee kunnen forse investeringen gemoeid zijn. Vermoedelijk zal bij meer dan de helft van de kantoren in Nederland maatregelen genomen moeten worden, om aan deze wettelijke verplichting te voldoen.

In veel gevallen zal de gemeente waar het kantoorgebouw staat verantwoordelijk zijn voor de handhaving van het label C-verplichting. Als het kantoorpand per 1 januari 2023 niet beschikt over label C, kan de gemeente opleggen dat het pand dan niet gebruikt mag worden totdat aan de verplichting is voldaan. Maatregelen als het opleggen van een last onder dwangsom, bestuursdwang en bestuurlijke boetes zijn ook mogelijk. Kortom als verhuurder is het van belang om te inventariseren wat de gevolgen zijn van de invoering van deze verplichting en tijdig maatregelen te nemen. Is het mogelijk om vast een voorziening te nemen voor deze kosten?

Voor de vraag of het mogelijk is om een voorziening te vormen voor deze kosten, zijn twee denkrichtingen mogelijk:

  1. De wettelijke verplichting wordt aangemerkt als een soort milieu-investeringsmaatregel
  2. De wettelijke verplichting moet aangemerkt worden als toekomstige onderhoudskosten

Fiscale aftrek als milieu-investeringsmaatregel

We kunnen de verplichting om het pand aan te passen, zodat het minimaal energielabel-C heeft aanmerken als een milieu(investerings)maatregel. Is het dan mogelijk om voor de daarmee samenhangende kosten een voorziening te vormen? Op grond van het Baksteenarrest moet er aan drie voorwaarden zijn voldaan, wil men een voorziening kunnen vormen:

  1. De uitgaven moeten hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan.
  2. De uitgaven moeten ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend.
  3. Ter zake van de uitgaven moet een redelijke mate van zekerheid bestaan dat zij zich zullen voordoen.

Op basis van een offerte is het mogelijk om een inschatting te maken van de kosten voor de aanpassingen naar energielabel C en er is een wettelijke verplichting om de upgrade naar energielabel-C uit te voeren. Aan de derde voorwaarde lijkt te zijn voldaan.

Er wordt niet aan de eerste en tweede voorwaarde voldaan om een voorziening voor een milieu-investeringsmaatregel te vormen. De te maken kosten hebben betrekking op milieuregelgeving die per 1 januari 2023 van toepassing is. De investering zal ook pas haar nut afgeven nadat deze is gedaan.

Fiscale aftrek als voorziening voor toekomstige onderhoudskosten

Bij de exploitatie van onroerend goed is het mogelijk om een voorziening te vormen voor toekomstige onderhoudskosten.

Als er groot onderhoud wordt gepleegd moet er een onderscheid gemaakt worden tussen de kosten voor onderhoud en verbetering. De kosten voor verbetering kunnen niet direct ten laste van het fiscale resultaat worden gebracht maar moeten worden geactiveerd. Dat betekent dus dat de lasten die samenhangen met de aanpassing van het kantoorpand naar energielabel C niet op voorhand al ten laste van het resultaat gebracht kunnen worden via het vormen van een voorziening. Dit zijn kosten van verbetering. Wellicht is het wel mogelijk om een deel van de kosten niet als verbetering te zien, maar als het brengen in de oorspronkelijke toestand. Dan zou voor dat deel van de kosten een voorziening gevormd kunnen worden, als dat nog niet gebeurt.

Afschrijven op de investeringen/het pand

Als de kosten geactiveerd zijn, maken ze onderdeel van het opgeofferde bedrag van het verhuurde pand. Vervolgens is het mogelijk om af te schrijven voor zover de boekwaarde van het pand hoger is dan 100% van de WOZ-waarde. In de praktijk zal er van afschrijven van een gerenoveerd pand vaak weinig terecht komen. Dit omdat de fiscale boekwaarde van het pand veelal niet boven de WOZ-waarde uitkomt.

Pand na upgrade naar energielabel-C afwaarderen naar lagere bedrijfswaarde

Op het moment dat een verhuurd pand is gerenoveerd, kan overwogen worden om het pand te laten taxeren. Als de getaxeerde waarde lager is dan de fiscale boekwaarde, bestaat afwaardering naar de lagere getaxeerde bedrijfswaarde tot de mogelijkheden. Op dat moment worden de kosten van de renovatie alsnog direct ten laste van het fiscale resultaat gebracht.

Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Nadere uitleg over toepassing zorgvrijstelling vennootschapsbelasting

Volledig bericht lezen: Nadere uitleg over toepassing zorgvrijstelling vennootschapsbelasting

Op 21 december 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën een beleidsbesluit gepresenteerd met daarin een uitleg over de toepassing van de zorgvrijstelling vennootschapsbelasting.

Voorwaarden toepassen zorgvrijstelling vpb

Om de zorgvrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten eerste Wet Vpb 1969 te mogen toepassen, is het van belang dat er uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zorgwerkzaamheden worden verricht. Het komt er op neer dat voor ten minste 90% kwalificerende zorgwerkzaamheden als bedoeld in de zorgvrijstelling worden verricht (‘werkzaamhedeneis’).

Als het zorgverlenende lichaam geen publiekrechtelijk lichaam is, geldt er een tweede voorwaarde om de zorgvrijstelling te kunnen toepassen. De behaalde winst mag alleen worden aangewend ten behoeve van een op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c Wet Vpb vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang (winstbestemmingseis). De winst moet voor zorgactiviteiten worden aangewend of ten behoeve van het maatschappelijke belang.

Bij een stichting moet er sprake zijn van vennootschapsbelastingplicht, wil er aan de toepassing van de zorgvrijstelling toegekomen worden. De stichting moet een onderneming drijven.

Zorgvrijstelling vpb bij zorg-bv

Als een stichting zorgverlenende activiteiten heeft, zal de toepassing van de zorgvrijstelling tot minder discussie leiden, dan wanneer er sprake is van een zorg-bv. In het laatste geval is het de vraag in hoeverre voldaan kan worden aan de winstbestemmingseis. Uit het besluit blijkt dat een zorg-bv de zorgvrijstelling mag toepassen, als zij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zo moet uit de statuten blijken dat de zorg-bv werkzaamheden verricht als bedoeld in de zorgvrijstelling. Er moet een meervoudig bestuur zijn en een onafhankelijk toezichthoudend orgaan. Aan de aandeelhouder worden ook eisen gesteld, natuurlijke personen kwalificeren niet. Wel lichamen van publiekrechtelijke aard, een ANBI of een stichting die aan bepaalde voorwaarden voldoet. De winstbestemmingseis moet in de statuten zijn vastgelegd en een statutenwijziging mag alleen mogelijk zijn na toestemming van het onafhankelijke toezichthoudende orgaan.

Als een lichaam niet voldoet aan de voorwaarden om de zorgvrijstelling toe te passen, maar eerder wel een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met de Belastingdienst over de toepassing van de zorgvrijstelling, wordt er tot 31 december 2020 de tijd gegeven om te voldoen aan de voorwaarden.

Uitspraak rechter over toepassing zorgvrijstelling vpb bij zorg-bv

In een recente uitspraak is de rechter ingegaan op de toepassing van de zorgvrijstelling bij een zorg-bv. Die zorg-bv had een natuurlijk persoon als uiteindelijke aandeelhouder. De zorg-bv voldeed mogelijk aan de hiervoor genoemde voorwaarden door de in statuten op te nemen dat de bv geen winstreserves zal uitkeren, zolang dat op grond van de wet- en regelgeving voor een instelling van medisch specialistische zorg niet is toegestaan. Na het beëindigen van de activiteiten zou de zorg-bv haar statuten kunnen wijzigen en de winstreserves aan de aandeelhouder kunnen uitkeren. Daarom vond de rechtbank dat er niet voldaan was aan de voorwaarden om de zorgvrijstelling toe te passen. Hieruit blijkt dat een goede redactie van de statuten van het zorglichaam van belang is. In het geval van een zorg-bv zal nagegaan moeten worden of wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, eerste lid aanhef en letter c Wet Vpb 1969 jo artikel 4 UB Vpb .

In het beleidsbesluit staat ook dat de winstbestemmingseis zowel voor de jaarwinst als voor het liquidatiesaldo van het lichaam geldt. Dit is in lijn met de hiervoor genoemde uitspraak. Overigens is er beroep aangetekend, het is dus afwachten of een rechter in hogere instantie tot dezelfde conclusie komt.

Het beleidsbesluit is een welkome aanvulling voor de praktijk. Op dit moment is het lastig om de toepassing van de zorgvrijstelling vpb af te stemmen met de Belastingdienst. Met de in dit beleidsbesluit opgenomen toelichting, verwacht ik dat het de afstemming met de Belastingdienst zal vereenvoudigen.

Wilt u meer weten over de toepassing van de zorgvrijstelling vpb, wij helpen u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Staatssecretaris van Financiën over mogelijkheden tot anonimiseren vermogen

Volledig bericht lezen: Staatssecretaris van Financiën over mogelijkheden tot anonimiseren vermogen

De Staatssecretaris van Financiën Snel heeft weer Kamervragen beantwoord over het anonimiseren van vermogen via het oprichten van een open commanditaire vennootschap (cv). Zo antwoordt Snel dat de open cv om vermogen te anonimiseren een methode blijft om de privacy van vermogenden en hun familie te beschermen. Daar ben ik het helemaal mee eens. Wat zijn de belangrijkste conclusies die er uit de Kamervragen getrokken kunnen worden?

Stappen anonimiseren van vermogen met een cv

Het anonimiseren van vermogen voor de buitenwereld gebeurt via de volgende stappen:

  1. De directeur grootaandeelhouder (dga) laat een stichting oprichten, gezamenlijk met de stichting wordt een open cv opgericht. De stichting is beherend vennoot en de dga is de commanditaire (stille) vennoot;
  2. De dga brengt zijn aandelen in de persoonlijke holding in de cv in met een beroep op de aandelenfusiefaciliteit;
  3. De holding keert alle overtollige reserves uit aan de cv ten titel van dividenduitkering. Laatstgenoemde kan zonder verschuldigdheid van dividend- en/of inkomstenbelasting plaatsvinden.

Het gaat hier om de beantwoorden van door het Kamerlid Leijten van de SP gestelde vragen. Veel van de vragen lijken een herhaling van al eerder gestelde vragen. Ze geven hooguit verdieping ten aanzien van wat al bekend was. Op onderdelen nemen ze eventuele onzekerheid weg over het gebruik van de cv om vermogen te anonimiseren.

Belastingdienst toets de cv marginaal, maar beoordeelt wel of sprake is van een open cv

Staatssecretaris Snel geeft aan dat de Belastingdienst marginaal toets of er in civielrechtelijke zin sprake is van een cv. Hij schrijft dat er sprake is van een cv als vennoten zich verbinden om iets in gemeenschap in het economische verkeer te brengen, met het oogmerk om het behaalde voordeel met elkaar te delen. Daar zal in de regel snel aan voldaan zijn, wordt opgemerkt. De Belastingdienst toetst op basis van de jurisprudentie of er sprake is van een open dan wel gesloten cv. Dat laatste is een wezenlijke toets. Omdat enkel in het geval van een open cv er vermogen door de besloten vennootschap kan worden uitgekeerd als dividend, zonder dat dit tot inkomstenbelastingheffing leidt bij de inbrenger/de dga.

In de Kamervragen wordt vervolgens ingegaan op het verschil tussen het kwalificeren als een bedrijf  op grond van het Wetboek van Koophandel en op grond van in de inkomsten- of vennootschapsbelasting. Voor de fiscale behandeling van de open cv is dit verschil niet relevant.

Eerder bestond er onduidelijkheid of het overtreden van het beheersverbod door de stille vennoot ertoe leidt dat de cv wordt ontbonden. De Staatssecretaris bevestigt dat dit niet het geval is. Wel zal de vennoot die het beheersverbod overtreedt als beherend vennoot worden behandeld. Hij wordt ondernemer in box 1 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.

Belastingdienst pleegt geen vooroverleg over gebruik cv voor anonimiseren van vermogen

De Belastingdienst wenst geen vooroverleg te plegen over het gebruik van een cv om vermogen te anonimiseren. Wel is het mogelijk om de Belastingdienst te vragen om te bevestigen dat met het opzetten van de structuur geen sprake is van het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Als de Belastingdienst dat bevestigt, is er zekerheid dat de gekozen opzet is goedgekeurd door de Belastingdienst. Bij dit verzoek zal de Belastingdienst beoordelen of er sprake is van een open cv, wat van belang is om het vermogen te kunnen anonimiseren, zonder dat het tot inkomstenbelastingheffing leidt.

In de Kamervragen ging het onder andere om de rol van de directeur-grootaandeelhouder als bestuurder bij de cv. In hoeverre kan de dga beheersdaden verrichten en wat zijn de (fiscale) gevolgen als hij beheersdaden verricht. Bij het opzetten van de cv-structuur, geef ik in overweging om een onafhankelijke derde, niet zijnde de directeur-grootaandeelhouder tot bestuurder te benoemen van de stichting die als beherend vennoot optreedt. In dat geval zal er geen discussie kunnen ontstaan over de positie van de dga. Gezien de financiële belangen is dat wel zo raadzaam.

Wilt u meer weten over het anonimiseren van uw vermogen, wij helpen u graag. Bel met Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Rechter geeft uitleg aan toepassing vpb-vrijstelling voor vereniging en stichting

Volledig bericht lezen: Rechter geeft uitleg aan toepassing vpb-vrijstelling voor vereniging en stichting

Met een beroep op de subjectieve belastingvrijstelling hoeven stichtingen en verenigingen, die een onderneming drijven en vennootschapsbelastingplichtig zijn, geen vennootschapsbelasting te betalen. In artikel 6 Wet Vpb 1969 zijn winstgrenzen genoemd. De eerste winstgrens: niet meer dan € 15.000 winst in een jaar en de tweede winstgrens: niet meer dan € 75.000 winst in het betreffende jaar en de vier daaraan voorafgaande jaren gezamenlijk. Het wel of niet overschrijden van de winstgrenzen kan een grote financiële impact hebben op kleine stichtingen en verenigingen. Als de hiervoor genoemde grenzen van de winst niet worden overschreden, is de vereniging of stichting op grond van de wet vrijgesteld van vennootschapsbelastingheffing. Bij verenigingen en stichtingen die minder dan vijf jaar bestaan, was het onduidelijk hoe de regel van niet meer dan € 75.000 winst in een periode van vijf jaar toe te passen.

Op 19 september 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën een besluit gepubliceerd, waarin de werking van artikel 6 Wet Vpb 1969 nader is toegelicht. De Staatssecretaris heeft toegelicht hoe de tweede winstgrens volgens hem moet worden toegepast, als de vereniging of stichting nog geen vijf jaar bestaat. De belastingrechter heeft in een uitspraak meer duidelijkheid geschept over de toepassing van de subjectieve belastingvrijstelling van artikel 6 Wet Vpb 1969. De rechter geeft een andere uitleg aan de toepassing van de regeling dan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris schrijft pro rata toepassing tweede winstgrens voor

In het beleidsbesluit schrijft de Staatssecretaris voor dat de tweede winstgrens pro rata moet worden toegepast. Dat betekent dat in de eerste drie jaar, de totale winst niet meer mag bedragen van € 45.000 (3/5 van € 75.000). Wordt die drempel in een jaar overschreden, dan kan er voor dat jaar geen beroep gedaan worden op de vrijstelling van de tweede winstgrens.

In de procedure voor de rechtbank stonden de hoogte van de winsten van de vereniging in de jaren 2010 tot en met 2012 niet ter discussie. De voor het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag met een belastbare winst van € 35.121 stond ter discussie. Voor de jaren 2010 en 2011 bedroegen de belastbare winsten € 9.884 en € 28.433. In drie jaar tijd heeft de vereniging in totaal € 69.731 aan winst gemaakt. De beroepsvereniging voor Nederlandse Stylisten is opgericht in 2009.

Geen pro rata toepassing tweede winstgrens volgens de rechter

Omdat de vereniging pas drie jaar bestaat heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat het winstplafond van € 75.000 herrekend moet worden naar het aantal jaren dat de vereniging bestaat. Conform het standpunt in het beleidsbesluit. Volgens de rechtbank geven zowel de tekst van de wet als de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten om de tweede winstgrens van artikel 6, eerste lid, Wet Vpb naar rato toe te passen. De rechter ziet het toepassen van de winstgrens van € 75.000 als een absolute grens, ook als de vereniging nog geen vijf jaar bestaat. Het past ook in de doel en strekking van de wet om deze uitleg te geven aan dit wetsartikel. Het is namelijk niet de bedoeling om verenigingen en stichtingen van bijkomstige betekenis in de belastingheffing te betrekken. Daarnaast wordt ook het risico van concurrentieverstoring gezien op het moment dat het toepassen van de pro rata winstgrens in het derde jaar wordt overschreden, maar er in het vierde jaar weer onder wordt gebleven.

Deze uitspraak is een welkome aanvulling voor de praktijk. Hoe om te gaan met de tweede winstgrens bij de toepassing van de vrijstelling vennootschapsbelasting, als sprake is van een nieuw opgerichte vereniging of stichting die nog geen vijf jaar bestaat? De uitspraak van de rechter roept de volgende vraag op: wat gebeurt er als de totale winst in jaar vier of vijf boven de € 75.000 uitkomt, moet er dan over de eerdere jaren vennootschapsbelasting betaald worden?

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Belastingtarieven 2019, wanneer wordt box 3 beleggen interessant?

Volledig bericht lezen: Belastingtarieven 2019, wanneer wordt box 3 beleggen interessant?

De nieuwe box 3 tarieven zijn bekend gemaakt. Per saldo gaat de belastingheffing over de tweede en derde schijf van box 3 omhoog. Over de schijf tot € 102.010 daalt het tarief tot 0,582%. Het zal dus sneller aantrekkelijk zijn om vermogen naar box 2 over te brengen. Hierna gaan wij verder in op de vraag tot welk rendement is beleggen in de bv of het open fonds voor gemene rekening interessant?

Minder box 3 belasting betalen is het doel als vermogen van box 3 naar box 2 wordt overgebracht. Door vermogen voor de waardepeildatum 1 januari naar box 2 over te brengen, wordt het niet meegeteld voor de grondslag voor de box 3 vermogensbelasting.

Dat vermogen moet minimaal 6 maanden uit box 3 wegblijven, wil men voorkomen dat er alsnog ook in box 3 inkomstenbelasting over verschuldigd is. Dat betekent dat het pas na 6 maanden en 1 dag na de jaarwisseling weer naar box 3 gehaald kan worden. Dan wel minimaal 6 maanden en 1 dag voorafgaand aan de jaarwisseling naar box 2 zijn overgegaan.

Daarna kan bepaald worden of de aanvraag van de vbi-status (vrijgestelde beleggingsinstelling) aantrekkelijk is. Door het aanvragen van de vbi-status hoeft er geen winstbelasting (vennootschapsbelasting) betaald te worden over de resultaten uit de beleggingen. Als de vbi-status wordt  aangevraagd zijn er twee aandachtspunten:

  1. Voor zover er geen of te weinig dividend wordt uitgekeerd in een jaar, is er 25% inkomstenbelasting verschuldigd over een forfaitair rendement van 5,60%. Per saldo 1,4%. Het forfaitaire inkomen wordt verlaagd met het in het jaar uitgekeerde dividend. Voor zover er een forfaitair rendement in aanmerking is genomen, verhoogt dit het fiscaal opgeofferde bedrag van de participaties in de vbi.
  2. Het vermogen dat box 3 verlaten heeft, moet minimaal 18 maanden in de vbi blijven

Dat betekent dat u dan twee peildata mist, als het vermogen tegen het eind van het jaar wordt ingebracht. Als het rendement in de vbi lager ligt dan 5,4% op jaarbasis, loopt de belegger het risico dat er door het forfaitaire rendement in box 2 uiteindelijk meer inkomstenbelasting betaald is gedurende het bestaan van de vbi, dan er verschuldigd is over het werkelijk behaalde rendement. Dit voorkomt u door periodiek de vbi te ontbinden. Dan wordt er een eindafrekening gemaakt, voor zover het fiscale opgeofferde bedrag van de participaties groter is dan de intrinsieke waarde, resulteert dat in een verlies. Dit verlies kan terug gewenteld worden naar het daaraan voorafgaande jaar en daarmee verrekend worden.

Waar ligt het omslagpunt bij een duurzame overgang naar box 2?

In het overzicht hierna zijn in kolom B de tarieven van box 3 opgenomen voor het jaar 2019, in kolom C ter vergelijking die van het jaar 2018 opgenomen. Kolom D laat zien tot welk rendement beleggen in box 2 interessant is. Bij de berekening is rekening gehouden met het vpb tarief van 19% (tarief 2019) over winsten in de bv of open fonds voor gemene rekening (OFGR) tot € 200.000. En vervolgens met het box 2 tarief van 25%. Door de vbi status aan te vragen is er op het niveau van de rechtspersoon geen vennootschapsbelasting verschuldigd waardoor bij hogere rendementen het aantrekkelijk is om in box 2 te beleggen, zie daarvoor kolom E.

tabel_rendementsheffing_box_3_en_belastingdruk_box_2


Wordt het een BV of een open fonds voor gemene rekening?

Uit voorgaande blijkt dat het aanvragen van de vbi-status  er voor zorgt dat tot een hoger rendement inbrengen in box 2 interessant kan zijn. De keuze voor het wel of niet aanvragen van de vbi status, is dus afhankelijk van het verwachte rendement. Eigenlijk is het aanvragen van de vbi-status alleen aantrekkelijk als het rendement minimaal 5,4% bedraagt, als het box 3 vermogen duurzaam in de vbi wordt gebracht. In dat geval moet het om vermogen gaan dat in box 3 in de hoogste schijf belast is.

Tot slot speelt nog de vraag hoe nu dat vermogen naar box 2 over te brengen? Dat kan door oprichting van een besloten vennootschap en het vermogen als kapitaal te storten. Wil men later kapitaal terugbetalen, dan is een gang langs de notaris wel vereist. Een open fonds voor gemene rekening kan bij een overeenkomst worden opgericht, waardoor een gang langs de notaris niet nodig is. Ook voor het terugbetalen van kapitaal is een gang langs de notaris niet nodig. Een open fonds voor gemene rekening is veel flexibeler. Het open fonds voor gemene rekening hoeft ook geen jaarrekening bij de Kamer van Koophandel te deponeren, waardoor wat wordt ingebracht onzichtbaar voor de buitenwereld (anoniem) blijft. Aan het oprichten van een open fonds voor gemene rekeningen stelt de Belastingdienst meer voorwaarden, dan aan het oprichten van een besloten vennootschap.

Door in 2018 nog een deel van uw vermogen over te brengen naar box 2, kunt u een fors bedrag aan vermogensbelasting besparen in 2019. U zult voor uzelf na moeten gaan of het oprichten van een vbi gewenst is.

Als u meer wilt weten over dit onderwerp, dan is het memorandum minder belasting betalen over uw box 3 vermogen in 2019 interressant voor u. U kunt het hier bestellen.

mr. Ewoud de Ruiter – directeur Apollo Tax bv 030 – 687 0 383

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Subjectieve vrijstelling vpb voor vereniging of stichting

Volledig bericht lezen: Subjectieve vrijstelling vpb voor vereniging of stichting
Vennootschapsbelastingplicht vereniging of stichting
Als een vereniging of stichting een onderneming drijft, is deze vennootschapsbelastingplichtig. Dat betekent dat alle bepalingen van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing zijn. In artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is een vrijstelling voor de vennootschapsbelasting geregeld. Als een vereniging of stichting in een jaar minder dan € 15.000 winst behaalt of in dat jaar en de daaraan voorafgaande vier jaar in totaal maximaal € 75.000 winst behaalt, is er een vrijstelling vennootschapsbelasting van toepassing. Voor de rekensom van de totale winst over een periode van vijf jaar tellen verliesjaren voor nul mee. Op 11 oktober heeft de Staatssecretaris van Financiën een beleidsbesluit gepubliceerd over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor verenigingen en stichtingen in artikel 6 van de Wet op de  vennootschapsbelasting 1969. Hierna ga ik verder in op de belangrijkste onderdelen van dit beleidsbesluit.
 
Wanneer opteren voor vennootschapsbelastingplicht?
In het beleidsbesluit zijn een aantal voor de praktijk interessante standpunten bekend gemaakt. Als een vereniging of stichting in een jaar voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 Wet Vpb 1969, is die vereniging of stichting vrijgesteld van vennootschapsbelastingheffing. Het verlies wordt dan niet bij beschikking vastgesteld. Op dat moment gaat de stichting of vereniging van de belaste naar de onbelaste sfeer over. In het beleidsbesluit is opgenomen dat de er eindafrekeningswinst in de aangifte vennootschapsbelasting moet worden verantwoord in het aan het verliesjaar voorafgaande jaar. Wil men dit voorkomen, dan schrijft het beleidsbesluit voor dat er uiterlijk tot aan het moment waarop de definitieve aanslag vennootschapsbelasting wordt opgelegd geopteerd kan worden voor vennootschapsbelastingplicht. De vraag is wat deze voorwaarde nu voor de praktijk betekent. Als voldaan wordt aan de voorwaarden dat er een belastingvrijstelling van toepassing is, wordt er voor dat jaar geen definitieve aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Dat zou betekenen dat men onbeperkt de tijd heeft om te opteren voor vennootschapsbelastingplicht. Vermoedelijk zal hier bedoeld zijn tot het moment waarop de inspecteur bericht dat er geen aanslag vennootschapsbelasting zal worden opgelegd. Om discussies met de Belastingdienst te voorkomen, geniet tijdig opteren voor vennootschapsbelastingplicht de voorkeur.
 
Wat gebeurt er met aanwezige verrekenbare verliezen als de vpb-vrijstelling van toepassing is?
Verliezen die ontstaan zijn in de periode dat de subjectieve vrijstelling van artikel 6 Wet Vpb 1969 niet van toepassing was, zijn na een periode waarin de stichting of vereniging vrijgesteld was van vennootschapsbelastingheffing te verrekenen, als er weer sprake is van vennootschapsbelastingplicht. Een of meerdere jaren waarin de vennootschapsbelastingvrijstelling van toepassing is, leiden er niet toe dat de verrekenbare verliezen verdampen. Dit neemt niet weg dat de verliezen wel verdampen als zij niet binnen de wettelijke termijn van 9 jaar (dit wordt in de toekomst 6 jaar) verrekend zijn.
 
Hoe de vrijstellingsbepaling toe te passen bij nieuw opgerichte vereniging of stichting
In het beleidsbesluit wordt ook ingegaan hoe de bepaling uitwerkt op het moment dat er vereniging of stichting nog geen vijf jaar bestaat. In dat geval moet de regeling pro rata van de bestaansperiode worden toegepast. Zie ook het volgende rekenvoorbeeld.
 
Een stichting drijft sinds twee jaren een onderneming. In jaar 1 behaalt de stichting een winst van
€ 16.000. In jaar 2 bedraagt de winst € 27.000. De stichting is in jaar 1 niet vrijgesteld, omdat de winst
in dat jaar meer bedraagt dan € 15.000. De vrijstelling is evenmin van toepassing in jaar 2, omdat de
winst van dat jaar meer bedraagt dan € 15.000 en samen met de winst van jaar 1 meer bedraagt dan
€ 30.000 (zijnde 2/5 van 75.000).
 
Dit beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën zorgt op onderdelen voor een verduidelijking waar de praktijk haar voordeel mee kan doen. Vooral in de situatie van een net bestaande vereniging of stichting is het prettig om te lezen hoe de totale winst in een periode van vijf jaar moet worden toegerekend aan de verschillende jaren.
 
Wilt u meer weten over de vennootschapsbelastingplicht voor stichtingen en verenigingen? Bel mij op 030 687 0 383
 
mr. Ewoud de Ruiter
Volledig bericht lezen
1 - 10 van 29 resultaten