Berichten over onderwerp: vennootschapsbelasting

Belasting blog


Geregeld verschijnt er een belastingadvies blog over een actueel fiscaal onderwerp. Dit blog is bedoeld om u te informeren over voor u interessante ontwikkelingen op het gebied van belastingen. Het kan gaan om nieuwe jurisprudentie of hoe een nieuwe regeling in de praktijk uitwerkt.

Als u na het lezen van een blog vragen heeft, schroom niet om die te stellen!

Gepubliceerd op door

Strenge uitleg van het begrip zorgwerkzaamheden uit de zorgvrijstelling vpb

Volledig bericht lezen: Strenge uitleg van het begrip zorgwerkzaamheden uit de zorgvrijstelling vpb
De toepassing van de zorgvrijstelling vennootschapsbelasting (vpb) leidt geregeld tot een discussie met de Belastingdienst. De eisen om de zorgvrijstelling te kunnen toepassen worden streng uitgelegd door de Belastingdienst. Naast de winstbestemmingeis, die voorschrijft dat de opbrengsten uit de zorgverlening alleen aangewend mogen worden voor de zorg of een algemeen maatschappelijk belang, mogen er uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zorgwerkzaamheden worden verricht. Dat betekent dat de werkzaamheden voor minimaal 90% uit zorgwerkzaamheden moeten bestaan.
 
Om aan de werkzaamhedeneis te kunnen voldoen is vereist dat het lichaam nagenoeg uitsluitend werkzaamheden verricht welke bestaan uit ‘het genezen, verplegen of verzorgen van zieken, kraamvrouwen, mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, wezen of ouderen die niet zelfstandig kunnen wonen’. In de praktijk is de vraag opgekomen wat in dit verband moet worden verstaan onder het begrip ‘genezen, verplegen en verzorgen’.
 
Welke zorg kwalificeert voor de zorgvrijstelling vpb?
Het moet gaan om een vorm van zorg waarvan de vergoeding voortvloeit uit het basispakket Zvw of de Wlz dan wel zorg die wordt verleend op basis van de Wpg, of een algemene maatwerkvoorziening als bedoeld in de WMO 2015 (zogenaamde collectief gefinancierde zorg). Belangrijk is dat niet alle vormen van zorg die onder de collectief gefinancierde zorg vallen ook kwalificeren als zorg onder de zorgvrijstelling als bedoeld in de Wet Vpb. Zo valt medicijnverstrekking door apotheken er niet onder.
 
Preventie
Werkzaamheden die zijn gericht op de preventie van ziekten vallen niet onder het begrip ‘genezen, verplegen en verzorgen’ in de zin van de zorgvrijstelling. Op dit uitgangspunt bestaan de volgende twee uitzonderingen:
- geïndiceerde en zorggerelateerde preventiewerkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de behandeling van medische klachten of aandoeningen en die zijn opgenomen in het basispakket van de Zvw; en
- zorggerelateerde en geïndiceerde preventie die plaatsvindt op grond van de Wlz; kwalificeren eveneens voor de werkzaamhedeneis.
 
Kwalificerende zorgwerkzaamheden
In het beleidsbesluit wordt een lijst met kwalificerende zorgwerkzaamheden genoemd. Voor thuiszorgorganisaties zal beoordeeld moeten worden in hoeverre de werkzaamheden kwalificeren. Werkzaamheden die gericht zijn op de preventie van ziekten kwalificeren niet.  Het gaat bijvoorbeeld om een cursus stoppen met roken of activiteiten op het gebied van jeugdzorg. Een zorginstelling zal na moeten gaan welk deel van de werkzaamheden niet kwalificeren en of dit de toepassing van de zorgvrijstelling niet in gevaar brengt.
 
Jeugdzorg
In het beleidsbesluit wordt geen aandacht besteed aan de jeugdzorg. Door de gewijzigde financiering van de Jeugdzorg, kan er sprake zijn van vennootschapsbelastingplicht. Dit omdat de door de gemeente met de jeugdzorginstellingen gesloten financieringsovereenkomsten mogelijk niet voldoen aan de voorwaarden genoemd in het subsidiebesluit voor de vennootschapsbelasting. Momenteel vindt er al langere tijd overleg plaats om te bepalen welke werkzaamheden kwalificeren voor de vrijstelling. Dit kan betekenen dat een zorginstelling afscheid zal moeten nemen van bepaalde werkzaamheden, wil men de zorgvrijstelling vennootschapsbelasting niet verliezen.
 
Nagenoeg uitsluitend 
Er is geen voorgeschreven regel om aannemelijk te maken dat aan het nagenoeg uitsluitend criterium (minimaal 90%) wordt voldaan bij de zorgverlening (bijvoorbeeld omzet, winst, fte of zorguren). Als er meer dan 10% niet kwalificerende werkzaamheden worden verricht, betekent dat het lichaam vennootschapsbelastingplichtig is. Het is aan de dagelijkse praktijk overgelaten om van geval tot geval een toetsingsmaatstaf te kiezen. Zowel van de belastingplichtige als van de Belastingdienst mag een invulling naar redelijkheid worden verwacht.
 
Handen aan het bed-eis
Zoals hiervoor al is geschreven moet het lichaam voor ten minste 90% kwalificerende zorgwerkzaamheden als bedoeld in de zorgvrijstelling verrichten. Het lichaam moet hierbij verplicht zijn om de zorgwerkzaamheden rechtstreeks ten opzichte van de zorgvragers te verrichten. Het lichaam moet de werkzaamheden zelf verrichten, daarvoor is overigens niet verplicht dat al het personeel in loondienst is van de zorgverlener. Inhuur van personeel is hierbij mogelijk. Met zorg samenhangende werkzaamheden van administratieve en organisatorische aard onder het bereik van de vrijstelling te brengen in de situatie waarin de kwalificerende zorgwerkzaamheden niet door het lichaam zelf worden verricht. Een topstichting met daarin slechts bestuurlijke activiteiten voldoet daarom niet aan de werkzaamhedeneis.
 
Tot slot
Met het nieuwe beleidsbesluit worden er een aantal voor de dagelijkse praktijk belangrijke verduidelijkingen gedaan voor de toepassing van de zorgvrijstelling. Helaas wordt de toepassing van de zorgvrijstelling ook beperkt door preventieve zorgwerkzaamheden uit te sluiten. Dit zal tot een lastenverzwaring leiden voor de zorginstellingen, die zullen moeten monitoren wat de omvang van de verschillende zorg- en niet-kwalificerende zorgwerkzaamheden. Met het risico de zorgvrijstelling vpb te verliezen.
 
Wilt u meer weten over voorgaande dan helpen wij u graag. Daarvoor kunt u contact opnemen met Ewoud de Ruiter - fiscalist: 030 - 687 0 383
Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Rechter geeft uitleg aan toepassing vpb-vrijstelling voor vereniging en stichting

Volledig bericht lezen: Rechter geeft uitleg aan toepassing vpb-vrijstelling voor vereniging en stichting

Met een beroep op de subjectieve belastingvrijstelling hoeven stichtingen en verenigingen, die een onderneming drijven en vennootschapsbelastingplichtig zijn, geen vennootschapsbelasting te betalen. In artikel 6 Wet Vpb 1969 zijn winstgrenzen genoemd. De eerste winstgrens: niet meer dan € 15.000 winst in een jaar en de tweede winstgrens: niet meer dan € 75.000 winst in het betreffende jaar en de vier daaraan voorafgaande jaren gezamenlijk. Het wel of niet overschrijden van de winstgrenzen kan een grote financiële impact hebben op kleine stichtingen en verenigingen. Als de hiervoor genoemde grenzen van de winst niet worden overschreden, is de vereniging of stichting op grond van de wet vrijgesteld van vennootschapsbelastingheffing. Bij verenigingen en stichtingen die minder dan vijf jaar bestaan, was het onduidelijk hoe de regel van niet meer dan € 75.000 winst in een periode van vijf jaar toe te passen.

Op 19 september 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën een besluit gepubliceerd, waarin de werking van artikel 6 Wet Vpb 1969 nader is toegelicht. De Staatssecretaris heeft toegelicht hoe de tweede winstgrens volgens hem moet worden toegepast, als de vereniging of stichting nog geen vijf jaar bestaat. De belastingrechter heeft in een uitspraak meer duidelijkheid geschept over de toepassing van de subjectieve belastingvrijstelling van artikel 6 Wet Vpb 1969. De rechter geeft een andere uitleg aan de toepassing van de regeling dan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris schrijft pro rata toepassing tweede winstgrens voor

In het beleidsbesluit schrijft de Staatssecretaris voor dat de tweede winstgrens pro rata moet worden toegepast. Dat betekent dat in de eerste drie jaar, de totale winst niet meer mag bedragen van € 45.000 (3/5 van € 75.000). Wordt die drempel in een jaar overschreden, dan kan er voor dat jaar geen beroep gedaan worden op de vrijstelling van de tweede winstgrens.

In de procedure voor de rechtbank stonden de hoogte van de winsten van de vereniging in de jaren 2010 tot en met 2012 niet ter discussie. De voor het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag met een belastbare winst van € 35.121 stond ter discussie. Voor de jaren 2010 en 2011 bedroegen de belastbare winsten € 9.884 en € 28.433. In drie jaar tijd heeft de vereniging in totaal € 69.731 aan winst gemaakt. De beroepsvereniging voor Nederlandse Stylisten is opgericht in 2009.

Geen pro rata toepassing tweede winstgrens volgens de rechter

Omdat de vereniging pas drie jaar bestaat heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat het winstplafond van € 75.000 herrekend moet worden naar het aantal jaren dat de vereniging bestaat. Conform het standpunt in het beleidsbesluit. Volgens de rechtbank geven zowel de tekst van de wet als de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten om de tweede winstgrens van artikel 6, eerste lid, Wet Vpb naar rato toe te passen. De rechter ziet het toepassen van de winstgrens van € 75.000 als een absolute grens, ook als de vereniging nog geen vijf jaar bestaat. Het past ook in de doel en strekking van de wet om deze uitleg te geven aan dit wetsartikel. Het is namelijk niet de bedoeling om verenigingen en stichtingen van bijkomstige betekenis in de belastingheffing te betrekken. Daarnaast wordt ook het risico van concurrentieverstoring gezien op het moment dat het toepassen van de pro rata winstgrens in het derde jaar wordt overschreden, maar er in het vierde jaar weer onder wordt gebleven.

Deze uitspraak is een welkome aanvulling voor de praktijk. Hoe om te gaan met de tweede winstgrens bij de toepassing van de vrijstelling vennootschapsbelasting, als sprake is van een nieuw opgerichte vereniging of stichting die nog geen vijf jaar bestaat? De uitspraak van de rechter roept de volgende vraag op: wat gebeurt er als de totale winst in jaar vier of vijf boven de € 75.000 uitkomt, moet er dan over de eerdere jaren vennootschapsbelasting betaald worden?

Volledig bericht lezen
Gepubliceerd op door

Subjectieve vrijstelling vpb voor vereniging of stichting

Volledig bericht lezen: Subjectieve vrijstelling vpb voor vereniging of stichting
Vennootschapsbelastingplicht vereniging of stichting
Als een vereniging of stichting een onderneming drijft, is deze vennootschapsbelastingplichtig. Dat betekent dat alle bepalingen van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing zijn. In artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is een vrijstelling voor de vennootschapsbelasting geregeld. Als een vereniging of stichting in een jaar minder dan € 15.000 winst behaalt of in dat jaar en de daaraan voorafgaande vier jaar in totaal maximaal € 75.000 winst behaalt, is er een vrijstelling vennootschapsbelasting van toepassing. Voor de rekensom van de totale winst over een periode van vijf jaar tellen verliesjaren voor nul mee. Op 11 oktober heeft de Staatssecretaris van Financiën een beleidsbesluit gepubliceerd over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor verenigingen en stichtingen in artikel 6 van de Wet op de  vennootschapsbelasting 1969. Hierna ga ik verder in op de belangrijkste onderdelen van dit beleidsbesluit.
 
Wanneer opteren voor vennootschapsbelastingplicht?
In het beleidsbesluit zijn een aantal voor de praktijk interessante standpunten bekend gemaakt. Als een vereniging of stichting in een jaar voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 Wet Vpb 1969, is die vereniging of stichting vrijgesteld van vennootschapsbelastingheffing. Het verlies wordt dan niet bij beschikking vastgesteld. Op dat moment gaat de stichting of vereniging van de belaste naar de onbelaste sfeer over. In het beleidsbesluit is opgenomen dat de er eindafrekeningswinst in de aangifte vennootschapsbelasting moet worden verantwoord in het aan het verliesjaar voorafgaande jaar. Wil men dit voorkomen, dan schrijft het beleidsbesluit voor dat er uiterlijk tot aan het moment waarop de definitieve aanslag vennootschapsbelasting wordt opgelegd geopteerd kan worden voor vennootschapsbelastingplicht. De vraag is wat deze voorwaarde nu voor de praktijk betekent. Als voldaan wordt aan de voorwaarden dat er een belastingvrijstelling van toepassing is, wordt er voor dat jaar geen definitieve aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Dat zou betekenen dat men onbeperkt de tijd heeft om te opteren voor vennootschapsbelastingplicht. Vermoedelijk zal hier bedoeld zijn tot het moment waarop de inspecteur bericht dat er geen aanslag vennootschapsbelasting zal worden opgelegd. Om discussies met de Belastingdienst te voorkomen, geniet tijdig opteren voor vennootschapsbelastingplicht de voorkeur.
 
Wat gebeurt er met aanwezige verrekenbare verliezen als de vpb-vrijstelling van toepassing is?
Verliezen die ontstaan zijn in de periode dat de subjectieve vrijstelling van artikel 6 Wet Vpb 1969 niet van toepassing was, zijn na een periode waarin de stichting of vereniging vrijgesteld was van vennootschapsbelastingheffing te verrekenen, als er weer sprake is van vennootschapsbelastingplicht. Een of meerdere jaren waarin de vennootschapsbelastingvrijstelling van toepassing is, leiden er niet toe dat de verrekenbare verliezen verdampen. Dit neemt niet weg dat de verliezen wel verdampen als zij niet binnen de wettelijke termijn van 9 jaar (dit wordt in de toekomst 6 jaar) verrekend zijn.
 
Hoe de vrijstellingsbepaling toe te passen bij nieuw opgerichte vereniging of stichting
In het beleidsbesluit wordt ook ingegaan hoe de bepaling uitwerkt op het moment dat er vereniging of stichting nog geen vijf jaar bestaat. In dat geval moet de regeling pro rata van de bestaansperiode worden toegepast. Zie ook het volgende rekenvoorbeeld.
 
Een stichting drijft sinds twee jaren een onderneming. In jaar 1 behaalt de stichting een winst van
€ 16.000. In jaar 2 bedraagt de winst € 27.000. De stichting is in jaar 1 niet vrijgesteld, omdat de winst
in dat jaar meer bedraagt dan € 15.000. De vrijstelling is evenmin van toepassing in jaar 2, omdat de
winst van dat jaar meer bedraagt dan € 15.000 en samen met de winst van jaar 1 meer bedraagt dan
€ 30.000 (zijnde 2/5 van 75.000).
 
Dit beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën zorgt op onderdelen voor een verduidelijking waar de praktijk haar voordeel mee kan doen. Vooral in de situatie van een net bestaande vereniging of stichting is het prettig om te lezen hoe de totale winst in een periode van vijf jaar moet worden toegerekend aan de verschillende jaren.
 
Wilt u meer weten over de vennootschapsbelastingplicht voor stichtingen en verenigingen? Bel mij op 030 687 0 383
 
mr. Ewoud de Ruiter
Volledig bericht lezen